Het spoor loopt dood in Lucca

Als je heden in Maryland ligt en je verleden in de heuvels van Toscane, dan kan het gaan kriebelen. Terug naar Lucca voor de wortels van de Amerikaanse familie Gemignani.

‘Jackass! Bastard!’ Mijn Amerikaanse schoonvader is nooit een ontspannen automobilist, maar achter het stuur in Italië laat hij zijn agressie de vrije loop. Vloekend en tierend baant hij zich een weg door het verkeer. Alsof hij het extraverte rijgedrag van de autochtone bevolking wil overtreffen. Mijn diepgelovige schoonmoeder houdt zich achterin de auto oostindisch doof, maar een keer wordt het haar te gortig. „Ik hoop dat ik je niet hoorde vloeken”, zegt ze na een hartgrondig Goddammit van haar man.

Zie ze rijden: de familie Gemignani uit de staat Maryland in Toscane. Gino (67), Peggy (68) en Gino’s broer Hugo (70), op zoek naar hun Italiaanse wortels. Op de rotonde bij het vliegveld van Pisa, waar hij mijn vrouw en mij ophaalt, toetert Gino twee automobilisten van de weg. Die zit. Op de snelweg naar Lucca schalt een CD met hits uit de rijke geschiedenis van de opera door de auto. Als we de toren van Pisa zien liggen pakt Gino zijn verrekijker. We rijden er niet naar toe: toeristische attracties moet je volgens hem voor tien uur ’s ochtends bezichtigen. Vóór het te druk wordt. Wie in de rij gaat staan is een loser.

We passeren een billboard waarop een schaars geklede vrouw de reiziger uitnodigt voor een bezoek aan een erotisch restaurant. „Ik vraag me af hoe hun cheeseburger smaakt”, zegt Gino. Hugo kreunt instemmend: „Ooohhh, Mama!” Tijd voor een gevleugelde uitdrukking van wijlen grandma Jennie (geboren in Napels): „Alle mannen zijn beesten en ik kan het weten, want ik heb twee zonen.”

Zo zit de stemming er goed in, als Gino de snelweg ineens verlaat. Het echte Italië leer je volgens hem via landweggetjes kennen. Klinkt goed, maar al snel rijden we verloren rond. Kaartlezer Hugo voelt zich als een dolgedraaid kompas.

Na ruim een uur tollen door de Toscaanse heuvels komen we alsnog aan. Een villa, met uitzicht op Lucca. Hugo steekt van pure vreugde een Amerikaanse sigaar op. „Leg nou eens uit”, zegt hij, „je laat dit landschap achter om je in Pittsburgh te vestigen? Come on!”

Wat bewoog grootvader Cesar Gemignani en grootmoeder Artemisia Pasquinelli ruim een eeuw geleden om naar Amerika te emigreren? Een dag later rijden we naar Lucca om dit raadsel op te lossen. Lucca: nauwe straatjes, kleine pleintjes. Pittoresk, maar niet als je een doel hebt. We lopen hulpeloos rond, op zoek naar het gemeentehuis. Als we het eindelijk hebben gevonden blijkt de dienstdoende ambtenaar geen woord Engels te spreken. Geconfronteerd met documenten van Cesar en Artemisia kijkt hij mistroostig. Hij krabbelt op een vel papier dat het zeker 40 dagen zal duren voor hij meer weet over hun Toscaanse verleden. Tien minuten later staan we weer buiten. „Waardeloos”, oordeelt Hugo. „Een typische ambtenaar. Toen ik hem zag zitten wist ik genoeg.” Gino is minder fatalistisch. Hij wil de speurtocht naar het verleden van Cesar en Artemisia grondig aanpakken. Volgend jaar keert hij terug, met meer documenten en nieuwe moed. Dat staat vast.