Gerammel aan het thrillerraamwerk

De prijs voor het beste laag-landse misdaadboek levert een massa inzendingen op. Of Hans Debouck of Lieneke Dijkzeul wint weten we aanstaande dinsdag.

Toen de eerste Gouden Strop in 1986 werd uitgereikt, hing de Nederlandse thriller rochelend te zieltogen achterin de boekhandel. Nu is het de lezer die bungelt: een bloedrode stroom binnenlandse thrillers overspoelt de spanningzoeker al voorin de winkel. De jury van de Gouden Strop 2010, onder voorzitterschap van Koos Postema, kreeg er 87 om de oren, allemaal Nederlands en het afgelopen jaar verschenen. Vijf dingen er dinsdagavond, 1 juni aanstaande, mee naar de prijs tijdens het openbare spannende boekenbal ‘The Power of Plots’ in de Amsterdamse Melkweg.

De Gouden Strop werd destijds door auteur Tomas Ross bedacht om schrijvers en lezers te winnen voor het vaderlandse misdaadboek, dat een marginaal bestaan leidde. Missie geslaagd. Biedt het jonge, weidse landschap van de polderthriller al het uitzicht waarop Ross hoopte? Waarschijnlijk niet. Het is een beetje eentonig uitgepakt.

In dat landschap lopen misdadigers en speurders rond met Amerikaans-Britse ouders. Sinds Arthur Conan Doyle en Edgar Allan Poe het genre in de 19de eeuw uitvonden, is in de Angelsaksische landen een lange en brede traditie van misdaadliteratuur ontloken; de exploderende populariteit die wij nu meemaken, beleefde men daar honderd jaar geleden. Die eeuw extra bood ruimte voor virtuoze experimenten die het raamwerk van de thriller, dat tamelijk dwingend is met een beperkte keuze aan ingrediënten en constructies, vaak op interessante en entertainende wijze oprekten. De jonge Hollandse afstammelingen van deze voorouders sjorren nog niet erg aan dat formele raamwerk, kijken goed naar hun oudere Scandinavische neefjes en nichtjes en ze wekken tezamen een wat ingepolderde indruk.

Hulde aan de jury dat zij erin is geslaagd uit die tamelijk eenvormige, weinig exuberante massa enkele boeken te kiezen waarin dat traditionele raamwerk van de thriller in elk geval niet door het canvas puilt en in de beste gevallen geheel onzichtbaar wordt.

Psychopaat

Drie Nederlanders, twee Vlamingen: de Belgen Bram Dehouck en Hans Declercq zijn beiden debutant. Onder de Nederlanders de gelauwerde René Appel en twee schrijfsters die inmiddels goed op stoom komen, Carla de Jong en Lieneke Dijkzeul. Opvallend en blijkbaar typisch voor de Lage Landen: in vier van de vijf boeken figureert een psychopaat die in twee gevallen achter het geld van een rijke vrouw aanzit.

René Appel, genomineerd met Van twee kanten (besproken in Boeken, 09.04.2010) zat in de jury van de eerste Gouden Strop en won hem tweemaal. Van twee kanten etaleert zijn vermogen om, bijna zonder tempoversnellingen, pesterig langzaam de wankele situatie van de rijke Fransien uit de doeken te doen en haar vervolgens onderuit te laten glijden door toedoen van zieke geesten. De strijd van Franciens psyche tegen het toelaten van de onaanvaardbare waarheid is wat Van twee kanten doet ‘thrillen’: zulke waarlijk psychologische thrillers zijn dun gezaaid in Nederland.

Een klein probleem van het boek, vooral veroorzaakt doordat vrijwel alle andere misdaadauteurs het ook doen en er bij de lezer dus accumulatie van wrevel optreedt, is dat de levens van de karakters weer gebouwd zijn op maximale identificatie. De hoofdpersonen, hun omgeving, interieurs en voorkeuren: ze zijn in Nederlandse thrillers vaak zo onuitstaanbaar ‘normaal’ en tot op het bot contemporain. Alles aan hen trekt ook voorbij aan wie een week lang naar talkshows kijkt, inclusief aanpalende reclameblokken. Wel identificatie, geen verrassing.

Carla de Jong koos voor haar tweede thriller Serpent, over moord onder psychiaters en hun cliënten, doeltreffend voor één locatie waarnaar politie en mogelijke daders steeds opnieuw terugkeren: een Amsterdamse psychiatrische kliniek. Het is heel Brits om dat te doen, de fysiek en psychisch besloten ruimte van een groot pand en haar inwoners als kader nemen. Dat werkt hier goed en het verhaal komt door die extra beperking juist mooi uit de verf.

Lieneke Dijkzeul heeft na drie thrillers het genre in de vingers, in de houdgreep zelfs. De geur van regen is de derde uit de Inspecteur Vegter-reeks en kan zich moeiteloos meten met de buitenlandse concurrentie. Het is een klassiek moordverhaal met een wat oudere emotionele inspecteur en diens entourage. Maar het klassieke raamwerk raakt totaal uit het zicht door de bijna achteloze kwaliteit. Sfeer, plotverloop, tempo en zieleroerselen – alles klopt. Als thrillers schrijven een ambacht is, dan is De geur van regen een meesterstuk.

De Vlaamse debutanten proberen te verrassen. In het geval van Hans Declercqs gedetailleerde verhaal over de moord op de Congolese president Laurent-Désiré Kabila en zijn speculaties over de precieze toedracht, schiet die verrassing misschien wat door. Het is een atypische thriller, meer politieke ‘faction’ dan spanning en te hermetisch voor wie niet zwaar geboeid is door Congo’s geschiedenis.

Politieagent

Bram Dehouck is de echte verrassing van de jury. Ook in De minzame moordenaar veel geschiedenis, over de oorlog bij Ieper (‘een hele generatie die zich liet doodschieten voor drie heuvels en een waterloop’), maar vooral de persoonlijke geschiedenis van een politieagent die tot een hoogst onredelijke seriemoord besluit na de dood van zijn geliefde. De flashbacks naar die liefde zijn lang, trefzeker en mooi. Debouck treedt ermee buiten het raamwerk, buiten de verwachting.

De keuze van de jury zou op de perfectie van Lieneke Dijkzeul of de verrassing van Hans Debouck moeten vallen. Tomas Ross pleitte inmiddels voor het aan de wilgen hangen van de Gouden Strop omdat het onderscheid tussen thrillers en literatuur kan verdwijnen nu het genre op eigen benen staat. Dat elan is in elk geval mooi, want het zou de nodige experimenten kunnen uitlokken. Er is geen reden waarom, geïnspireerd door bijvoorbeeld Paul Austers New York Trilogy, een baldadige Nederlandse schrijver het thrillerraamwerk niet eens krachtig zou verwringen.