Geef je vrienden goud, veel goud

Eigenlijk was het Byzantijnse rijk de voortzetting van het Imperium Romanum. Het bestond zo lang omdat het een ‘grand strategy’ had. Maar was die strategie wel zo bijzonder?

Edward N. Luttwak: The Grand Strategy of the Byzantine Empire. Harvard, 498 blz. € 36,85

In 1984 publiceerde de Duitse historicus Alexander Demandt Der Fall Roms, waarin hij analyseerde hoe latere generaties hadden geoordeeld over de ondergang van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw. Hij beëindigde zijn boek met een lijst van 210 factoren die in de discussie een rol spelen, alfabetisch gerangschikt van ‘Aberglaube’ tot ‘Zweifrontenkrieg’. Het onderwerp houdt de gemoederen bezig, zoveel is duidelijk.

Toch is het tot op zekere hoogte een misverstand dat het Imperium Romanum zou zijn verdwenen. Zeker, in West-Europa namen afstammelingen van Germaanse immigranten de macht over, maar in de (bevolkings)rijke gebieden rond het oostelijk Middellandse-Zeegebied bleef het wereldrijk gewoon bestaan. Dat historici het geen Romeins maar een Byzantijns rijk noemen, suggereert een discontinuïteit die er in feite niet is geweest.

De Amerikaanse militair analyticus Edward Luttwak zoekt in The Grand Strategy of the Byzantine Empire een verklaring voor het overleven van de oostelijke rijkshelft, en vindt deze in laatste instantie in het voortbestaan van het belastingstelsel, en dat maakte een efficiëntere strategie mogelijk die voor het westen onbetaalbaar was.

De aanpassing werd volgens Luttwak noodzakelijk toen Attila’s Hunnen Europa binnenvielen met grote, snelle groepen bereden boogschutters, die niet konden worden verslagen met traditionele militaire middelen. Gedurende enige tijd kocht Byzantium de vijanden af, en in deze jaren ontdekte het hoe belangrijk het was te beschikken over goede diplomatieke contacten. Met behulp van veel goud bouwde Byzantium zijn bondgenotennetwerk uit en toen het eenmaal beschikte over eigen ruiterlegers, staakten de keizers de betalingen en maakten ze korte metten met de Hunnen.

Sindsdien streden de Byzantijnse legers maar zelden om hun vijanden compleet te verslaan. De tegenstander van vandaag kon de bondgenoot zijn van morgen, en los daarvan: als het ene steppevolk was uitgeroeid, zou wel een andere stam zich vestigen in de vrijgekomen gebieden. Definitieve overwinningen bestonden niet en het had ook geen zin ernaar te streven.

Alles draaide erom vijanden en bondgenoten te manipuleren. Soms moest daarbij worden gevochten, maar er waren meer wegen. Goede informatie was van vitaal belang, en Luttwak geeft mooie overzichten van de wijze waarop Byzantijnse ambassadeurs inlichtingen verzamelden. Hij had daarbij overigens wat minder summier mogen zijn over de christelijke missionarissen, die verafgelegen stammen konden winnen voor de Byzantijnse zaak en nuttige informatie doorspeelden.

Arabieren

De Byzantijnen gaven de verzamelde kennis aan elkaar door in militaire handboeken. Luttwaks beschrijving daarvan vormt het beste deel van zijn boek. Hij wijst erop dat ze praktisch van opzet waren en voortdurend werden geactualiseerd. Zo bevatte het Strategikon van Maurikios, geschreven rond 600, nog geen beschrijving van de Arabieren, maar vulden latere auteurs die lacune na de Arabische veroveringen snel op. Dit klinkt vanzelfsprekender dan het is, want in de westelijke provincies keek een auteur als Vegetius, de schrijver van een ander handboek, nooit naar de eigenlijke vijanden. In plaats daarvan las hij oude teksten, die hij niet eens goed begreep. Vergeleken met het antiquarisme van het laat-Romeinse Rijk was de Byzantijnse benadering, hoe vanzelfsprekend ook, een stap vooruit.

Luttwak heeft merkbaar plezier in dit verhaal en etaleert zijn enorme kennis op een prettige wijze. Helaas wordt zijn relaas soms ontsierd door verwijzingen naar de moderne islam die maar gedeeltelijk ter zake zijn. Weliswaar streden de Byzantijnen tegen de Arabieren, maar lang niet alle soldaten in de Arabische legers waren moslims, en de islam was in de door Luttwak behandelde periode nog volop in ontwikkeling. Het is daarom onjuist het latere te benutten om het vroegere te illustreren. Tenzij het boek eigenlijk niet over het verleden gaat en Luttwak eigenlijk iets wil zeggen over het heden. En inderdaad, ook andere aspecten van The Grand Strategy of the Byzantine Empire, zoals de nadruk op diplomatie en de onwinbaarheid van sommige oorlogen, wekken de indruk dat Luttwak in feite de ideale strategie voor de Verenigde Staten aan het schetsen is. In de laatste regels werpt hij zijn masker af en erkent hij te denken dat de Byzantijnse methoden ‘are in part applicable even today, or perhaps especially today’. Een professioneel geschoold historicus, die vertrouwd is met de wetenschapstheoretische grondslagen van zijn vak, zou zich over de actualiteit van zijn onderzoek waarschijnlijk minder onverantwoord uitlaten.

Archeologie

Er is meer kritiek mogelijk. Zo baseert Luttwak zich vooral op teksten en negeert hij het potentieel van de archeologie. Dat is vooral jammer omdat de verspreiding van de Byzantijnse forten toont welke gebiedsdelen men als belangrijk beschouwde en welke niet, terwijl uit de relatieve grootte kan worden afgeleid hoe de verschillende legeronderdelen op operationeel niveau samenwerkten. De archeologie kan ook uitsluitsel geven over Luttwaks aanvechtbare aanname dat de Byzantijnen vooral vochten als ruiters.

Een ander probleem is dat Luttwak niet bewijst dat de nieuwe strategie Byzantijns is. Hij toont alleen aan dat de Byzantijnen haar toepasten. Om het tot een Byzantijnse strategie te maken, had hij echter ook moeten bewijzen dat andere staten anders dachten over oorlogsvoering. Ze deden echter vrijwel hetzelfde. Ook de heersers van het Sasanidische Rijk, het Umayyadische kalifaat van Damascus en het Abbasidische kalifaat van Bagdad begrepen de waarde van goud, diplomatie en goede informatie. In het westen waren de Franken er evenmin blind voor. De Friezen die in Dokkum Bonifatius vermoordden, wisten verdraaid goed welke contacten de missionaris had aan het Frankische hof.

De nieuwe strategie is dus minder een Byzantijnse dan een vroeg-Middeleeuwse, en Luttwak verklaart weliswaar waarom het Byzantijnse Rijk langer bestond dan het West-Romeinse Rijk, maar verklaart niet waarom het ook de Sasaniden, Umayyaden, Abbasiden en Franken overleefde. De beslissende factor moet een andere zijn geweest.

Toch heeft Luttwak een mooi, informatief boek geschreven. Het kan het best worden gelezen als een thematische geschiedenis van het Byzantijnse Rijk, waarin economische, financiële, militaire, etnografische, religieuze, en literaire aspecten centraal staan. Wie liever grote- mannengeschiedenis leest, kan terecht bij het driedelige Byzantium van J.J. Norwich, maar wie de kaders wil kennen waarbinnen keizers en generaals moesten handelen, kan slechter kiezen dan The Grand Strategy of the Byzantine Empire.