Een grand café in de moskee

Na de schuilmoskee in een kantoor kwam de heimweemoskee met minaret. Nu is de beurt aan de poldermoskee, die zich in de straatwand voegt. „Hier hebben mannen en vrouwen een gelijkwaardige ingang. Dat is mijn bijdrage als architect aan de integratie.”

Zoals een kerk een toren heeft, heeft een moskee een minaret. En zoals een kind een huis tekent met een puntdak, heeft een moskee een koepel. Vanzelfsprekend. Al eeuwenlang zijn dit de symbolen van de islam – maar het kan tegenwoordig ook zonder. Zwitserland stelt zich met een verbod teweer tegen de minaret, in Nederland lijkt die geruisloos te verdwijnen.

Naast de traditionele ‘heimweemoskee’ zoals de Rotterdamse Essalam waarvan de minaretten de lichtmasten van het Feyenoordstadion naar de kroon steken, verschijnt steeds vaker de ‘poldermoskee’ die zich met weinig uiterlijk vertoon in de straat voegt. De minaret heeft vaak nog slechts een symbolische functie. De verpakking maakt zich steeds meer los van de inhoud.

De begrippen ‘heimweemoskee’, ‘poldermoskee’ en ‘schuilmoskee’ – in een garage, een tapijthal, of zelfs een synagoge – zijn een uitvinding van twee architecten van Turkse afkomst, Cihan Bugdaci van Gentlemen Architecture Real Estate and Theory en Ergün Erkoçu van Concept0031. Ze ontmoetten elkaar aan de TU Delft en publiceerden vorig jaar het boek De Moskee. Politieke, Architectonische en Maatschappelijke Transformaties.

„Door 9/11 en de opkomst van Fortuyn werden wij ineens gedwongen onszelf als moslim te zien”, vertelt Bugdaci. „De tweede, derde generatie denkt anders over het geloof en het gebruik van de moskee. Hun ideeën daarover lopen uiteen, zeg maar van djellaba tot petje.” Bovendien, zegt Erkoçu, „zijn wij hier als architecten opgeleid met de modernistische gedachte van ‘form follows function’. In de traditionele moskee is het andersom, daar zijn het omhulsel en de symboliek belangrijker dan de functies.”

Erkoçu’s respons was de Poldermoskee, waarmee hij in 2003 afstudeerde. Met gebedsruimte, maar ook met kantoren, een kunstgalerie, een hammam, een grand café, een theaterzaal en een grasdak met windmolens in plaats van minaretten. „Van oudsher is de moskee multifunctioneel geweest. Die zorgt voor levendigheid, maakt het gebouw exploitabel en geeft het een plek in de maatschappij, net zoals de kerk dat met de voedselbank en daklozenopvang doet.”

Wat zij en vele andere jonge moslims willen is een moskee die ze kunnen customizen, zegt Cihan Bugdaci, een flexibel gebouw waarin religie en gemeenschap centraal staan maar wisselende activiteiten plaatshebben. „Zo’n gebouw met transparante architectuur kan tot meer begrip leiden. Dat maakt dat ook niet-moslims, die zich nu soms storen aan de minaret of de vele mannen in djellaba, binnen komen kijken, of tenminste beter snappen wat zich er afspeelt. Zo ontstaan ontmoetingen en komen groepen die nu nog in termen van ‘wij-zij’-denken, dichter bij elkaar.”

De opmerkelijkste gebedsruimte van de laatste jaren begon als een kunstproject: de tijdelijke Albert Heijn-moskee in Amsterdam Slotervaart uit 2001. Tarik Sadouma en Bastiaan Franken studeerden toen aan de Rietveld Academie. „We waren zeer geïnteresseerd in de beeldtaal van bedrijven, in logo’s en dergelijke en in het maken van nieuwe vormen uit bestaande beelden”, vertelde Franken vorige maand op de bijeenkomst ‘De moskee in beeld’ van Forum, Instituut voor Multiculturele Vraagstukken. „We waren aan het klooien met dat mooie kalligrafische logo van AH en zagen ineens dat als je dat anders in elkaar zetten, het woord Allah ontstond. Dat was een grote verrassing.”

Franken wilde er een ruimte mee inrichten, „dan wordt het iets in het leven zelf en niet alleen een leuk idee in een galerie”. Ze huurden een leegstaande supermarkt en bekleedden de wanden en plafonds met vellen plastic met het omgebouwde logo en het sierlijke ruitdessin dat toen de AH-boodschappentas sierde. „Sprekend een islamitische mozaïek, ook de blauwe kleuren.” Tas werd tegel, plastic werd marmer.

De gebedsruimte werd tijdens ramadan druk bezocht. Hadden de bezoekers dan geen moeite met de vermenging van commercie en religie? „Helemaal niet”, zegt Franken. „Het enige wat ze vervelend vonden was dat het gebed door de grote ruiten voor de passanten zo zichtbaar was. Toen is er een strook folie op geplakt.” De gebruikers hechtten aan hun AH-plek en wilden er niet uit toen de eigenaar het pand ging herontwikkelen.

Nederland telt ongeveer driehonderd moskeeën. Daar zitten imposante, vrijstaande exemplaren bij, zoals de bekende Essalam-moskee die al tien jaar in aanbouw is in Rotterdam: vier verdiepingen hoog, met natuursteen bekleed en met twee minaretten van vijftig meter. In Breda is eind vorig jaar de Almohsinin opgeleverd, met twee koepels en een pronte minaret van 23 meter.

De geplande Westermoskee in de Amsterdamse Baarsjes, die vanwege zijn omvang in de buurt grote controverse opriep, gaat na een conflict tussen de woningbouwvereniging en de opdrachtgever niet door.

In de Bijlmer daarentegen kon de Taibah-moskee, naast het verhoogde metrospoor, na een verbouwing van 10 miljoen vijf keer zo groot worden. Dankzij de gulle gaven van de gelovigen, zegt Mohamed Junus Gaffar, die als algemeen secretaris van de stichting Welzijn voor Moslims in Nederland de bouw heeft begeleid. „Nee, geen geld uit het buitenland” – een verwijzing naar de Essalam waar de financiers uit Dubai ook het bestuur naar hun hand zetten. Overal hangen er zoet-roze plakkaten met de oproep ‘Help Taibah bouwen en verwerf een paleis in het Paradijs’ – met het gironummer erbij.

Er komen wel achttien verschillende nationaliteiten naar de Taibah, onder wie veel Afrikanen. Na het gebed van twee uur ’s middags blijven de mannen in groepjes hangen om te praten en te sjoelbakken. Rond gebedstijd is de ruime hal beneden geplaveid met schoenen. Een sierlijke trap voert naar de gebedsruimte. „Er was veel commentaar op die hal. Sommige bestuursleden vonden dat geldverspilling. Ik vind het een sieraad, het gebouw heeft nu een echte entree.”

Gaffar is trots op het gebedshuis en leidt bezoekers graag rond. Langs de gebedsruimte bijvoorbeeld, waar op vrijdag zo’n vierhonderd en op feestdagen wel achthonderd mannen komen bidden. In de stalen koepel van tien meter breed en tien meter hoog, een verwijzing naar de hemel, glinsteren sterren van glasvezel die telkens van kleur veranderen, van roze naar groen naar paars naar blauw. Zelfs in de luchtroosters zijn koranteksten verwerkt. „De cultuur is van de oude tijd, de techniek van de nieuwe tijd.”

Gaffar gaat voor naar het winkeltje, naar de ruimte waar de doden worden gewassen – „met lauw water, we willen hen geen pijn doen” – en naar de keuken die eens per week gratis maaltijden verstrekt. Naast de keuken is de vrouweningang. Maar die komen hier niet veel. „Het is het beste dat zij thuis bidden”, vindt Gaffar. „Voor mannen brengt het meer zegen om hier in de moskee te bidden.”

Naast de Taibahs en de Essalams groeit het aantal niet-traditioneel uitziende moskeeën. Dat viel te verwachten, schrijft de Duitse kunsthistoricus Christian Welzbacher in zijn boek Euro Islam Architectuur: De nieuwe moskeeën van het westen. „Als er zoiets als een ‘Euro-islam’ aan het ontstaan is, dan moet zich analoog daaraan ook een Europese islamitische architectuur ontwikkelen. Een nieuwe, karakteristieke bouwcultuur die zich onderscheidt van bestaande islamitische tradities.”

De Euro-islam van Welzbacher en de poldermoskee van de jonge architecten Bugdaci en Erkoçu, heet in overheidstaal een multifunctionele accommodatie, oftewel MFA. De terminologie is handig wanneer een gemeente zich met de moskeebouw inlaat, wat in een seculiere staat natuurlijk niet mag. De architecten Bugdaci en Erkoçu spreken schertsend van ‘de seculiere moskee’.

Toch was het het stadsdeel dat het initiatief nam tot een MFA in de Amsterdamse Transvaalbuurt, inmiddels beter bekend als de ‘Fusion’-moskee van architect Marlies Rohmer. Volgens haar is dit de eerste in Nederland waar Turken en Marokkanen een gebouw delen – hoewel ieder met een eigen ingang en een eigen gebedsruimte. Boven worden er cursussen gegeven en heeft de gemeente een Centrum voor Werkvoorziening ingericht. Die ruimte is officieel gemeenschappelijk en openbaar, maar wordt nauwelijks gebruikt, terwijl de geloofsgemeenschappen beneden krap zitten. „Die ruimte moest van iedereen zijn en is dus van niemand”, zegt Rohmer.

Opvallend aan de ‘Fusion-moskee’, die officieel Al Fath heet, is de onopvallende manier waarop de bakstenen gevel zich in de Amsterdamse School-gevelwand voegt. Het is even hoog als de buren, het heeft geen minaret of koepel – eigenlijk is het metselwerk het enige waaruit het islamitische karakter van het gebouw blijkt. De opengewerkte wanden en sierlijke baksteenpatronen doen denken aan zowel decoratieve islamitische vormen als aan het flamboyante gebruik van bakstenen in de Amsterdamse School-panden of zelfs bij de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright.

„Ik wilde die mengeling van culturen in de architectuur laten zien, met een beeldtaal die recht doet aan de zelfstandige positie van deze immigranten in Nederland”, zegt Rohmer. „Niet puur Nederlands, niet nostalgisch-Arabisch, maar een nieuwe versmelting.” Ze had daarom heel graag naast de gebedsruimte publieke functies toegevoegd zoals een groentenzaak en een kapper, maar dat paste niet in het bestemmingsplan. „Een gemiste kans om door middel van dit gebouw de integratie te bevorderen.” In Slotervaart – hetzelfde stadsdeel waar de Albert Heijn-moskee stond – is vorige week een andere moskee van de nieuwe generatie opgeleverd. Geen losstaand spierballengebouw, maar een onderdeel van de hele herstructurering van de westelijke tuinsteden. In het ontwerp van architectenbureau Onix zijn de sociale woningbouw, de brede school, de parkeergarage en de moskee van dezelfde roodbruine steen gemaakt. De minaretloze moskee werd zozeer opgenomen in het plan dat deze haast onherkenbaar werd. De oplossing was om de schuine buitenwand – die naar Mekka gericht staat – siermetselwerk met blauw glazuur te geven.

Architect Haiko Meijer van Onix: „De ene groep gebruikers wilde een minaret, de andere wilde liever die vierkante meters gebruiken voor een winkeltje en leslokalen. Dat laatste is het geworden.” Hij wijst erop dat mannen en vrouwen in die versierde buitenmuur gescheiden, maar gelijkswaardige ingangen hebben. „Dat is mijn bijdrage aan de integratie.”

Met het bouwen van ‘fusion’-moskeeën is de controverse over de plaats van de islam in Nederland natuurlijk geenszins bezworen. Dat het ontwerp van de Selimiye-moskee in Haarlem eigentijds is, weerhield boze buurtbewoners er niet van het gebouw twee jaar geleden tijdens de bouw met molotov-cocktails te bestoken. En al krijgt de nieuwe moskee in Roosendaal de vorm van „een strakke doos met een mini-koepel”, zoals Cihan Bugdaci dat zegt, toch hing daar twee weken geleden een dood schaap met de tekst ‘No mosk’ op z’n buik gekalkt.

Toch is de verleiding groot om te denken, of te hopen, dat integratie via de architectuur en de stedenbouw mogelijk is. Of op z’n minst daarin tot uitdrukking komt. In zijn boek Euro Islam Architectuur gaat Welzbacher daar nogal normatief mee om: de moderne moslim hoeft de religieuze rite niet af te stemmen op wat hij noemt ‘romantische clichés’. „In de Euro-islam verliezen koepel en minaret hun betekenis. In een eigentijdse Europese islamitische cultuur zijn die niet meer dwingend vereist.” Of gewenst, lijkt hij te willen zeggen.

Is de minaretloze moskee niet eigenlijk óók een schuilmoskee, een islamitische variant op schuilkerk Ons’ Lieve Heer op Solder, waar de katholieken zich na de Beeldenstorm terugtrokken om gedoogd hun geloof te belijden? Is dit een teken van ontspannen integratie of juist een knieval voor de angst voor boze buren?

In een poging iedereen te vriend te houden gaf de gemeente Doetinchem aan architect Furkan Köse van Atelier PUUUR een uitgebreid pakket van eisen mee voor de nieuwe moskee. Die overigens geen moskee heet, maar een Turks Cultureel Centrum – een soort MFA dus. In hun boek De Moskee doen Bugdaci en Erkoçu de details uit de doeken. Het moest markant maar niet opdringerig zijn, het moest ruimte bieden aan culturele en buurtactiviteiten, de gevel moest voor driekwart uit glas bestaan. En er mocht een op een minaret gelijkend kunstwerk naast staan van hooguit één meter in dwarsdoorsnede. Een beetje symboliek mag, maar niet teveel.