Doodlijn

Ik mailde Leo Vroman om 13.39 uur met de vraag of hij wil meewerken aan een aflevering van De Gids die zal worden gewijd aan het zwarte gat. Ter inspiratie stuurde ik een essay mee van wetenschapper Sebastiaan de Haro.

Ik kan me voorstellen dat je op 96-jarige leeftijd op een bankje onder een boom zit, nadenkend over een plek waar je je herinneringen moet laten. Of dat je zomaar wat voor je uitkijkt, omdat je weet dat deze dag net als alle andere dagen voorbijgaat. Ik hield er in ieder geval rekening mee dat een antwoord wel even op zich kon laten wachten.

Om 16.32 uur antwoordde Vroman dat hij een gedicht zou maken. ‘Leuk!’ mailde hij. Het uitroepteken deed hem opveren van het bankje onder de boom. Hij schreef dat hij wel wat kon met de tekening die de wetenschapper had gebruikt ter inleiding van zijn essay.

Het gaat om een tekening waarin twee voorstellingen te herkennen zijn. De Haro schetst met dit beeld de aard van het zwarte gat dat meerdere, onvergelijkbare verschijningsvormen zou hebben, al naar gelang het gezichtspunt van de waarnemer.

Ik zag in eerste instantie een jonge vrouw van opzij. Ze draait zich zo ver weg, dat er van een profiel eigenlijk geen sprake meer is. Ik herken een oorschelp, een deel van haar wang en nog net een wimperhaar.

Toen ik de tweede vrouw in de voorstelling ontdekte, schrok ik. De hals van de jonge vrouw vormt de lange puntkin van een oude heks. De jonge oorschelp is een klein priemend oog met wallen. De bevallige wipneus een wrat op de haviksneus van het oude wijf. Ik schrok, geloof ik, vooral van het feit dat ik de oude vrouw in eerste instantie helemaal niet gezien had. Dat ze zich verborgen had gehouden achter de gestalte van de jonge vrouw.

Ik was een jaar of vijfentwintig – zelf al niet jong meer – toen het voor het eerst echt tot me doordrong dat de oude mensen om me heen ook ooit vijfentwintig waren geweest. Ik zal het nooit vergeten. Ik zat in de tram en was opeens omringd door 25-jarigen, die een gerimpelde huid hadden aangetrokken. Ze verscholen zich in kromme lichamen en achter grijze gezichten.

Nu weet ik dat ook oude, bijna dode mensen in de huid en in het lichaam van jongelingen kunnen kruipen. Ik krijg het oude wijf niet meer van mijn netvlies, en vind het steeds moeilijker de wegkijkende vrouw te ontdekken.

„Ik heb wel een theorietje over een en ander”, mailde Vroman. „En met geringe oefening ben ik in staat allebei de gezichten van het beroemde plaatje tegelijk te zien. Intussen, wanneer is de doodlijn?”

De doodlijn? Het was alsof hij me vroeg wanneer ons laatste uur zou slaan. Ik slikte en berichtte hem dat hij pas 1 oktober het gedicht zou hoeven inleveren. „Zou dat lukken?” zette ik er voor de zekerheid bij.

Ik probeer of ik net als Vroman twee vrouwen tegelijk kan zien. Maar mijn brein weigert. Het is alsof het licht aan en uit gaat tussen de twee voorstellingen. De lijn die de twee scheidt is niet aan te wijzen. Zou dit de doodlijn zijn? Om 17.15 uur stuurt Vroman me zijn bijdrage. Een prachtig gedicht.

Ik knipper met mijn ogen. Aan, oud, jong, uit.