De godgans gakte de godganse dag

Saskia de Jong: De deugende cirkel. De Harmonie, 80 blz. € 14,90

In een poging te begrijpen wat Saskia de Jong zou hebben gewild met het schrijven van De deugende cirkel las ik het boek aan mijn kinderen voor, veteranen op het gebied van kinderpoëzie. De jongste, 7 jaar, haakte snel af. De oudste, 9 jaar, luisterde geamuseerd. De eerste regel is ook de laatste regel van het gedicht, ontdekte hij. En de middelste. Braaf vroeg hij naar de betekenis van de woorden die hij niet begreep. Wat is zielsverwant? Wat is anus? Ik legde het hem uit en dan lazen we nog de woordverklaring achterin. De grap van De deugende cirkel – ondertitel: gedichten en knipsels voor kinderen – is dat alle woorden worden verklaard in die lijst.

Dat is aardig bedacht, maar de lijst is al even onvast van toon als de gedichten zijn – van formeel tot jofel. ‘Poepen: afvalstoffen afscheiden.’ ‘Armen: uitsteeksels aan je lichaam waar je mee kunt zwaaien.’ ‘De: lidwoord.’ Het woord lidwoord komt niet voor in de gedichten, dus dat hoeft niet uitgelegd. Maar het kind dat bijdehand genoeg is om te checken of ‘de’ in de woordenlijst staat, kan ook wel een abstractieniveau hoger aan. Zo redeneer ik de cirkel deugend. Als je je kinderen erbij moet halen om een boek voor kinderen te beoordelen, dan is er iets mis.

De deugende cirkel bevat 26 gedichten over dieren, het alfabet rond, van ai tot en met zeeleeuw, met de pop en centaur als buitencategorie. Elk gedicht bevat drie strofes, van vijf drie en vijf regels. En het rijmt. Dertien regels, twee rijmklanken.

ik weet al wat ik later worden wil

wat me nou echt wat lijkt is vlinder

dat ik samen met de zomer zinder

het is beslist geen modegril

al is mijn leven nu nog pril

Zo begint ‘rups’. De laatste twee regels lijken geforceerd door het rijm. Zeggen wat een wens niet is en benadrukken dat de spreker jong is, voegt niets toe. Het maakt het gedicht vlak. Bijna alle gedichten lijden aan die kwaal. In ‘Yak’ en ‘zeeleeuw’ laat De Jong haar fantasie haar gang gaan, maar te veel andere gedichten zijn zo weinig sprekend als ‘rups’. Wie het rijm niet weet te buigen naar zijn bedoelingen, kan het rijmen beter laten.

Saskia de Jong (1973) maakte naam met twee complexe, lastig doordringbare bundels poëzie. Nu benadert ze het genre van de geheel andere kant, en dat pakt minder goed uit. Misschien begon het plan voor dit boek met het gedicht dat vooraf gaat aan deze dierenring: ‘godgans’. Dat is een stimulerend gedicht, goed bedacht, geestig en toch mysterieus: ‘en het was licht, de godgans gakte/ de godganse dag op het water lopend/ had hem toch het gevoel bekropen/ dat de rode zon in de avondzee zakte/ en hij er godganselijk niets van bakte.’ Zo een bundel rond, dat was mooi geweest.