Canadese intocht

Mijn voltallige Canadees-Nederlandse schoonfamilie – drie generaties, negen mensen – was overgekomen voor een familiereünie. Ze logeerden een paar dagen in Amsterdam, daarna trokken ze verder door Europa.

Hun hotel aan de Herengracht dat ze zelf hadden uitgezocht, bleek matig. De entree glom uitnodigend, maar op de hogere verdiepingen lag een sleetse vloerbedekking en een van de kamers was ronduit vuil. Midden in de nacht was er hinder van joelende mensen in bootjes op het water. Ook de klok van de Westerkerk bleek slecht voor de slaap. In een restaurant op het Rembrandtplein moesten ze op vrijdagavond drie uur op hun maaltijd wachten; ze konden er niet met goed fatsoen weglopen omdat ze geïnviteerd waren.

Een beetje beschroomd vroeg ik hun later hoe ze Amsterdam gevonden hadden. Wonderful, riepen ze unaniem.

De oudsten waren dolenthousiast over het stadsschoon, hun kinderen prezen de levendigheid van de stad en de informele omgangsstijl van de bewoners, en de kleinkinderen raakten niet uitgepraat over het uitgaansleven. Vooral de jongeren hadden zich voorgenomen zo gauw mogelijk terug te keren om de stad beter te leren kennen.

Ze kwamen allemaal uit Toronto en omgeving – toch niet bepaald een achterlijk gebied.

Tewijl ik hun tevredenheid peilde, vroeg ik me af of kankeren misschien een bij uitstek Nederlandse gewoonte was. Voor ‘ons’, als ik even mag generaliseren, zou zo’n matig hotel en beroerd restaurant reden zijn om een hele stad, misschien wel een heel land, te diskwalificeren, maar zij kozen blakend van levenslust – de oudste was 83 jaar – voor de positieve aspecten.

Die ‘canals’, dat was toch een streling voor het oog? En hadden ze een avond eerder niet prima gegeten op een ander adres? Gevoelens van onveiligheid ’s avonds laat? Hoezo, ze hadden niks bijzonders gemerkt, we dachten toch niet dat er in Toronto nooit eens iets gebeurde? Leuk trouwens, die studentenbetoging die ze overdag hadden meegemaakt, de Canadese studenten waren heel wat slomer.

Hartelijk dank, zei ik, ik zal het doorgeven aan de rest van Nederland, waar nog wel eens gedacht wordt dat Amsterdam een soort Sodom en Gomorra is waar op elke straathoek een beroving of verkrachting wacht.

Toen was het, op Belgische grond, tijd voor de familiereünie zelf. Daar kwamen weer heel andere gevoelens boven.

We wisten dat mijn schoonzus, in de jaren vijftig met haar man naar Canada geëmigreerd, haar Nederlandse familie altijd gemist had, hoe goed ze verder ook geïntegreerd was. (Haar man was inmiddels overleden en ze was met een Canadees hertrouwd). Maar wat mij opviel was dat ook de tweede generatie – haar twee dochters – de reünie soms zeer emotioneel onderging. Het waren inmiddels vrouwen van omstreeks de vijftig: echte Canadezen, hardwerkende mensen wier kinderen nooit eerder in Nederland waren geweest. Toch hadden deze vrouwen het gevoel altijd wat ontbeerd te hebben: een, of beter ‘de’ familie. En ook al bezwoeren wij hen dat je ‘de’ familie nooit moest idealiseren („jullie moesten eens weten!”), toch werd de bijeenkomst voor hen ook een confrontatie met een stukje gemist leven.

Maar klágen deden ze niet. Daarvoor waren ze te veel Canadees geworden.