Alsnog de hazelworm

Hoelang je dit werk ook doet, er zullen altijd beesten zijn die je verwaarloosd hebt. Maar zolang je dit werk blíjft doen, is er altijd nog een kans om dat goed te maken. Daarom nu – de hazelworm.

De hazelworm geldt als een geheimzinnig dier, wat doorgaans betekent dat het weinig onderzocht is. Maar Ton Stumpel, toen nog werkzaam bij Alterra, had eens een paar studenten ter beschikking en die heeft hij naar hazelwormen laten kijken op de voet van de Wageningse Berg.

Verrassende aantallen: zo’n honderd stuks op een strook van 350 meter. En het waren er niet alleen meer, ze déden ook meer dan je zou denken. Verplaatsingen van veertig meter in een uur waren geen uitzondering.

Deze hazelwormen kwamen zelden op het asfaltweggetje dat daar loopt, en nooit in het weiland aan de overkant. Hogerop op de helling kwamen ze trouwens evenmin; in feite was de strook waarin ze zaten nergens breder dan een meter of zes.

Hazelwormen eten naaktslakken en regenwormen, slow food. Dit dwingt ze tot activiteit onder relatief vochtige omstandigheden. Wat ze eten waar naaktslakken en regenwormen ontbreken (op heidevelden met name), is niet bekend.

Vroeg in het voorjaar zijn het vooral mannetjes die in de zon liggen – die laten zo hun zaad rijpen. Later zijn het juist meer de vrouwtjes die de zon opzoeken – om hun bevruchte eitjes te laten rijpen. In mei overlappen ze elkaar; in een normale lente is de kans om hazelwormen te zien in mei het grootst.

Ook qua uiterlijk overlappen de seksen elkaar. Er zijn duidelijke mannetjes en er zijn duidelijke vrouwtjes, maar daartussen zit een groot gebied waarin ze nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn, zelfs op de hand niet – mannetjes kunnen een dubbele penis uitstulpen, maar vrouwtjes hebben daar ook iets wat ze kunnen uitstulpen.

Ik neem aan dat iedereen weet dat de hazelworm geen slang is, maar een pootloze hagedis. Je moet dat ontbreken van poten niet als een gebrek opvatten. Het dier beweegt zich hoofdzakelijk in vegetatie waarin hij van poten alleen maar last zou hebben. Maar het kan penibel worden als hij terechtkomt op een ondergrond waarop hij geen houvast heeft (slangen zijn aan de buikzijde ietwat geruwd en kennen dat probleem niet).

Zo kan een hazelworm hulpeloos liggen kronkelen in rul zand, wat niet zelden de aandacht trekt van een hazelwormminnende vogel. Of hij kronkelt inmiddels niet meer – dan is hij vrijwel zeker omgekomen door uitdroging. Zo’n dier ligt dood, maar zonder zichtbare beschadiging op je pad.

Het kan dus een daad van barmhartigheid zijn om een levende hazelworm even opzij te zetten. Maar je kunt hem beter niet aan je borst drukken. Soms legen ze in één kramp hun cloaca, en dan zit je opeens onder de smurrie.

Of het in Nederland goed gaat met deze dieren is niet met zekerheid te zeggen; daar is/wordt geen onderzoek naar gedaan.