Wie verlangt nu naar een superhit?

Thimon de Jong schreef dinsdag op deze pagina dat de populaire cultuur te individueel is geworden. Wat is daar op tegen, vraagt Otto Wichers zich af.

In zijn artikel ‘Wo sind denn die Superhits?’ (Opiniepagina, 25 mei) maakt Thimon de Jong een aantal rake observaties over de muziekcultuur van nu. Hij constateert dat de geïndividualiseerde luisteraar het moet stellen zonder nieuwe superhits van het kaliber The Time of My Life.

De Jong meent dat dit een sociaal en artistiek probleem is. Volgens hem kent de nieuwe generatie luisteraars geen gedeelde cultuurervaringen en blijft moderne muziek hangen in het verleden. Hij verlangt terug naar het systeem van de superhit als collectieve cultuurbeleving. Als oplossing roept hij op tot een einde aan de ‘remixcultuur’ die nieuwe evergreens in de weg zou zitten.

De Jong toont weinig begrip voor de moderne muziekliefhebber. Ik vermoed dat weinig jongeren of artiesten zijn verlangens zullen delen. Hij stelt terecht dat populaire cultuur geïndividualiseerd en gefragmenteerd is. Maar wat is daar op tegen? Jongeren zijn creatiever en eclectischer dan ooit in hun cultureel gedrag. De generatie van de jaren nul heeft dankzij internet als eerste de vrijheid om haar smaak en cultuurbeleving op puur persoonlijke basis te ontwikkelen en definiëren. Collectieve culturele ervaringen als een superhit zijn voor deze generatie simpelweg overbodig. De gemiddelde scholier bekommert zich niet om vastgeroeste ideeën over muziek als iets dat wel of niet bij zijn generatie of tijd hoort, en plaatst de nieuwste dubstep-track in een playlist naast een liedje van Elvis.

De Jong toont ook weinig waardering voor wat hij de remixcultuur noemt. Die is volgens hem ‘bij gebrek aan iets eigens’ ontstaan, en de reden dat er geen nieuwe muziek is. Dat laatste is simpelweg onjuist; muziek verplaatst zich alleen niet meer via collectieve kanalen zoals de top-40, omdat dat niet meer nodig is.

Daarnaast vergeet De Jong dat de grote vernieuwers van de twintigste eeuw op hun manier ook ‘remixers’ waren. The Beatles gebruikten de riffs van Chuck Berry in hun eigen songs en Bob Dylan kopieerde de melodieën van eeuwenoude folkmuziek voor zijn eigen, vernieuwende muziek. Het schaamteloos gebruik van elementen uit andere muziek is niets minder dan een gezond artistiek proces.

Muziek evolueert naar omstandigheden. Moderne artiesten en luisteraars hebben geen boodschap meer aan ouderwetse ideeën over originaliteit of alomtegenwoordigheid als voorwaarde voor culturele impact. De Jong noemt dit, met Mark Fisher, cultural deceleration – afremming van cultuur. Ik noem het bevrijdend.

Otto Wichers – alias Lucky Fonz III – is muzikant en componist.