Weeën

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton.

Nog drie weken en dan zou ik vader worden. Jolanda was begin oktober uitgerekend. Ze was na acht maanden zwangerschap voller geworden en had een mooie, ronde buik gekregen. Elke dag legde ik mijn oor op Jolanda’s buik. Ik zong Berberse kinderliedjes voor ons ongeboren kindje en vertelde het wat we allemaal gingen doen als het bij ons zou zijn: „We gaan rijden in pappa’s Simca. En samen met mamma gaan we naar Marokko.”

Jolanda mocht van mij niets meer doen. Ik kookte, waste af, hing de was op, streek de kleren, stofzuigde, lapte de ramen en veegde het stoepje aan. Ik wilde niet dat Jolanda iets zou overkomen. Jolanda was blij toen de zomer voorbij was en ik weer aan de slag moest op de Van Eldenschool. Overdag was ze verlost van mijn overdreven zorg. Maar gelukkig waren mevrouw Tielemans, Hülya en Khadija er nog om haar werk uit handen te nemen.

„Ik word vader”, zei ik tegen caissières in de supermarkt, tegen visboeren, tegen postbodes en krantenjongens en zelfs tegen de vergeetachtige bewoners van het W.F. Visserhuis. Het idee dat ik vader zou worden, was in het begin beangstigend. Ik werd gekweld door vragen over het vaderschap en of ik daar wel geschikt voor zou zijn. Maar ik besloot om daar niet meer bij stil te staan. Piekeren zou mij zeker niet op het vaderschap voorbereiden. Daarnaast gebeurde er iets in mij waar ik geen vat op had: er groeide in mij een onstuitbare drang om te verzorgen, te beschermen en lief te hebben. Ik ging vader worden en niets kon mij tegenhouden.

„Waarom lacht u zoveel, ome Driss”, vroeg Omar. Omar was een van de nieuwe leerlingen van het mentorklasje dat ik in het nieuwe cursusjaar onder mijn hoede had naast mijn werk als conciërge.

„Ik lach omdat ik binnenkort vader ga worden.” „Is het waar, ome Driss, bent u echt met een Nederlandse vrouw getrouwd?” vroeg Hamza, een andere leerling. „Ja, dat is waar. Ik ben met een Nederlandse getrouwd.” „Maar, bent u eigenlijk wel Marokkaans?” vroeg Hamza verder. „Ja, dat ook. Ik ben ook een Marokkaan.” „U bent zo anders dan de andere Marokkaanse mannen”, zei Omar.

„Geloof mij nou maar”, zei ik. „Zoveel verschil is er echt niet.”

Ik merkte aan de leerlingen dat ze mij niet geloofden. Ik leek op hun vaders, maar sprak goed Nederlands met een licht accent. Voor hen was ik blijkbaar iemand die tot een andere wereld behoorde. Opeens zag ik mezelf door hun ogen en toen trof het mij: wat een veranderingen had ik doorgemaakt! Veertien jaar geleden kwam ik als analfabete jongen naar Europa. Ik beulde mezelf af in de Franse mijnen. Daarna kwam ik als eenentwintigjarige jongeman naar Nederland. Ik werkte in de IJmuidense vishaven als scholstapelaar en was een gastarbeider als andere gastarbeiders: ontworteld en ontheemd. Ik kon geen letter lezen en sprak alleen mijn moerstaal. Maar Nederland veranderde mij. Ik ontmoette er mensen die mij behoedden voor de geestelijke stilstand, die altijd op de loer ligt voor de migrant die geen wortel durft te schieten. Ik leerde een nieuwe taal, stichtte hier een gezin en gaf niet toe aan het ontmoedigende vooruitzicht om voor altijd gespleten te blijven: ik bleef evenveel Marokkaans als ik Nederlands was geworden.

Deze conclusie wilde ik met de leerlingen delen, maar toen werd er aan de deur geklopt. Mevrouw Visser stak haar hoofd het klaslokaal binnen en zei: „Driss, mag ik je even spreken?” „Is er iets gebeurd?” vroeg ik op de gang. „Het ziekenhuis heeft gebeld. Jolanda is opgenomen. Ze heeft weeën.”

Driss Tafersiti