Van de Woestyne goed in intense, argwanende blik

Beeldende kunst Gustave Van de Woestyne. T/m 27 juni in het Museum voor Schone Kunsten, Gent. Inl. www.mskgent.be ****

De Vlaamse schilder Gustave Van de Woestyne (1881-1947) wordt meestal tot de symbolisten gerekend, omdat hij daar nog het meest op lijkt. Maar op een verhelderende tentoonstelling van zijn werk in Gent blijkt nu op hoeveel andere kunstenaars hij óók lijkt. Zijn leven lang probeerde Van de Woestyne verschillende stijlen uit – in opeenvolgende periodes of gelijktijdig. Dat kameleontische komt al naar voren in het vroege werk, gemaakt in de kunstenaarskolonie Sint-Martens-Latem.

Een portret van zijn broertje Maurits, met flaporen en grote knokige handen, heeft duidelijk met de Vlaamse Primitieven te maken. In het Portret van dokter Alfons Depla (1907) komen een scherp getekend, bezorgd kijkend hoofd en twee pezige handen te voorschijn uit zwarte kleding die als één grote vorm is afgezet tegen een goudkleurige achtergrond: dat schilderij doet denken aan de Art Nouveau uit Wenen. En dan zijn er religieuze voorstellingen die veel primitiever geschilderd zijn, in een soort mengvorm van vroege Renaissance, icoonschilderkunst en symbolisme. Ze lijken het werk van een heel andere kunstenaar.

Zijn beste werk maakte Van de Woestyne in de jaren tien. Hij was vooral een goede portrettist. De bezoeker ontmoet menige intense, argwanende blik. In het schilderij De grootmoeder (1914) kijken twee scherpe, dierlijke ogen naar buiten vanuit een nauwkeurig vastgelegd rimpelhoofd.

Bijna karikaturaal is een reeks koppen van dorpsgenoten, die Van de Woestyne na zijn vertrek uit Sint-Martens-Latem uit zijn herinnering schilderde. Er zijn opvallend veel blinden bij, maar ook de zienden hebben zware oogleden. Op hun vermoeide gezichten staat gekte of boerenslimheid te lezen.

In latere jaren flirtte Van de Woestyne onder meer met de moderne kunst van Picasso, Modigliani en de Fauvisten, maar op een voorzichtige manier. Dat leverde geforceerde, halfslachtig modernistische schilderijen op, waarin naturalisme en deformatie op elkaar botsen. In het ergste geval verbeeldt zo’n botsing ook nog een sentimenteel verhaaltje, over een blinde vioolspeler of een zwerver.

Schrikbarend lelijk zijn de indringend bedoelde religieuze schilderijen uit de jaren twintig. Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten (1925) is een eenogig onderkruipsel met zeven primitief geschilderde zwaarden in haar borst. Christus ziet er met zijn waanzinnige blik en grote, bloeddoorlopen ogen uit als een tekenfilmschurk.

Het late werk is nog net zo uiteenlopend van karakter als het vroege werk. Opmerkelijk is dat Van de Woestyne ook teruggreep op zijn dorpsbewoners-portretten van rond 1910. De koster van Sint-Martens-Latem schilderde hij omstreeks 1928, maar hij dateerde het doek 1909. Misschien vond hij zelf achteraf ook dat die groep werken in zijn oeuvre wel wat groter had mogen zijn.