Olievaten en liefdadigheid

Titel: De communicerende vaten van Oscar van Leer. Ondernemerschap en filantropie in de Van Leer Entiteit, 1958-1986 auteur: G.-J. Johannes Uitgever: Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2009) 322 pag. 35 euro

Op 12 september 1946 waren Bernard van Leer (‘de vatenman’), diens echtgenote Polly en hun twee zonen Wim en Oscar bijeen in het kantoor van een Zwitserse notaris. Zij waren daar om een pacte successoral te tekenen waarin ze verklaarden afstand te doen van Bernards nalatenschap. Na de dood van ‘de vatenman’ in 1958 werd de speciaal voor het beheer van deze nalatenschap in het leven geroepen stichting enig aandeelhouder van het concern.

Bernard van Leer begon tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn emballageonderneming. In de tweede helft van de jaren twintig concentreerde hij zich op de productie van stalen vaten voor asfalt, olie en benzine. Ook tijdens de crisisjaren bleef de mobiliteit toenemen en steeg de vraag naar de producten van Van Leer dienovereenkomstig. Hoewel Bernard met bijna niets was begonnen – zijn vader was in 1904 failliet gegaan – bedroeg zijn vermogen zo’n 400 miljoen gulden.

Over het reilen en zeilen van de onderneming met Oscar van Leer aan het roer, is onlangs een boeiende studie verschenen. Gert-Jan Johannes, verbonden aan het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht, heeft niet alleen de ontwikkelingsgang van het eigenlijke concern beschreven, maar ook de bestemming van de winsten. Omdat het in Nederland tamelijk uitzonderlijk was dat ondernemers zich grootschalig met filantropie bezighielden, wordt met dit boek een wit vlekje in onze kennis van de bedrijfsgeschiedenis ingekleurd.

Aan het eind van de jaren vijftig, toen de Bernard van Leer Foundation met haar werk kon beginnen, werd filantropie door velen gezien als een negentiende-eeuws relict. Juist in de jaren dat sociale wetgeving en collectieve verzekeringen de persoonlijke naastenliefde tot een onpersoonlijk recht hadden gemaakt, begon de Bernard van Leer Foundation filantropische projecten op een werkelijk substantiële wijze te subsidiëren (in 1987 werd 35 miljoen aan de diverse projecten besteed).

Op initiatief van Oscar van Leer concentreerde de Foundation zich op voorschools onderwijs aan kansarme kinderen in de landen waar het concern actief was. Onbedoeld en ongewild kreeg de missie van Van Leer een politieke dimensie: waar hield de wereld van het onderwijs op en waar begon die van de fundamentele maatschappijverandering? Zowel het eigenlijke concern als de Foundation heeft daar voortdurend mee geworsteld. Niet in het minst omdat men óók actief was in landen waarover vanaf de jaren zeventig uitgebreide en vinnige maatschappelijke debatten gevoerd werden: Zuid-Afrika en Israël.

Vooral de nauwe banden met Israël – Polly van Leer (de echtgenote van Bernard en de moeder van Oscar) woonde vanaf 1947 min of meer permanent in Jeruzalem – brachten het bedrijf regelmatig in grote problemen. Het emballageconcern viel onder de boycot die de Arabische landen tegen ‘vrienden van Israël’ hadden ingesteld. Voor een bedrijf dat vooral olievaten produceert, was dat een buitengewoon lastige situatie.

Uit het boek is wel duidelijk geworden dat voor Oscar van Leer de combinatie van het ondernemerschap en de filantropie – in de titel zo treffend omschreven als twee communicerende vaten – een buitengewoon moeilijke opgave was. Op 19 februari 1996 overleed hij als een vereenzaamd man. Hij had proefondervindelijk ervaren dat filantropie eigenlijk alleen maar vijanden kweekt. ‘Elke gift’, zo zei hij eens, ‘levert me tien vijanden op: negen zijn verontwaardigd dat ze niets krijgen en de tiende is teleurgesteld dat hij te weinig krijgt’.