In deze mediacratie moet je goed zijn in soundbites

‘Cohen faalt’ wordt gezegd.

Maar zijn houding is exemplarisch voor linkse politici, denkt Rob Wijnberg. Zij doen liever niet mee aan het spelletje dat politiek heet.

Het kan verkeren. Precies een maand geleden heerste bij de PvdA niets dan zelfvertrouwen en optimisme. Job Cohen was zojuist tot nieuwe partijleider benoemd en als burgervader van Nederland aan het volk gepresenteerd. Journalisten spraken van een „meesterzet” en de peilingen beweerden niet anders: leek de PvdA eind 2009 nog ten dode opgeschreven, nu mocht ze plotseling weer ruiken aan het premierschap. Op Facebook werd alvast de fanclub ‘Yes We Cohen’ gelanceerd.

Drie interviews en twee debatten later lijkt die slogan alweer net zo achterhaald als de linkse lente die ze had moeten inluiden. Job is „door het ijs gezakt”, luidt nu de analyse hetgeen doet vermoeden dat het op links plotsklaps weer winter is. Op het web doen nu hele andere bijnamen de ronde. Cohen heet ‘de Hakkelaar’ en de PvdA de Partij van de Aanpassingen. De partijleider zelf blijft er ogenschijnlijk stoïcijns onder, maar enige verbazing zal hem toch niet vreemd zijn. ‘In wat voor circus ben ik in godsnaam beland?’, zal hij zich heimelijk afvragen. Een dag na het RTL Lijsttrekkersdebat zag zijn partij in één klap drie zetels verdampen in de peilingen – omgerekend zo’n 10 procent van het totaal. Cijfers die Cohen ongetwijfeld paraat heeft.

En inderdaad, naar de maatstaven van de moderne mediacratie faalt de PvdA-leider opzichtig. Hij geeft eerlijk toe dat hij een antwoord niet weet in plaats van met halve waarheden erom heen te praten. Het resultaat toont zich de volgende dag in de krantenkoppen. Hij laat andere minutenlang interrumperen en begint pas aan zijn repliek als zijn opponent uit beeld verdwenen is. De camera zoemt uit en het geregisseerde applaus wordt dwars door zijn antwoord heen ingezet. Hij haalt soms moedeloos zijn schouders op als een interviewer hem weer eens met bijzaken bestookt en zegt dan: „Aan dat soort spelletjes doe ik niet mee.”

Ondertussen gaat ‘het spelletje’ om hem heen vrolijk verder. De commentaren zijn onverbiddelijk en eensluidend: Cohen is een bestuurder die geen tegenspraak gewend is. En: hij is door zijn spindoctors duidelijk niet goed voorbereid.

Daar schuilt een zekere kern van waarheid in, maar het probleem is fundamenteler dan dat. Job Cohen is namelijk een duidelijk voorbeeld van de tekortkoming waar bijna alle progressieve, linkse politici al jaren mee worstelen – en waar hun conservatievere, rechtse collega’s nauwelijks last van lijken te hebben. Die tekortkoming wortelt in een lange filosofische geschiedenis. De tegenstelling ‘links’ en ‘rechts’ loopt, in dit opzicht, zelfs bijna parallel aan twee stromingen die in de westerse filosofie al eeuwen tegenover elkaar staan.

Linkse politici zijn in hun denken en doen vooral schatplichtig aan wat je de Platoonse traditie zou kunnen noemen. Kenmerkend voor deze traditie is dat alle vertegenwoordigers ervan – variërend van René Descartes tot Immanuel Kant – uitgaan van een filosofische tegenstelling die ooit door Plato werd geïntroduceerd, namelijk: die tussen ‘schijn’ en ‘werkelijkheid’. Uitgangspunt hiervan is, kort samengevat, dat er twee soorten ‘realiteit’ kunnen worden onderscheiden. Aan de ene kant is er de realiteit zoals die ons schijnt te zijn – zoals ze wordt ervaren, bemiddeld door onze emoties, taal, cultuur en belangen. Daarachter, stellen deze denkers, schuilt de objectieve werkelijkheid: de realiteit ‘zoals ze is’; de ‘feiten’ die wij allen delen.

Deze traditie, die haar hoogtepunt in de Verlichting kende, heeft altijd de ambitie gekoesterd om de ‘schijn’ te ontmaskeren ten faveure van de ‘zuivere werkelijkheid’. Zij bezag de mens namelijk bovenal als een rationeel wezen dat, wanneer hij de ‘feiten’ eenmaal in zou zien, tot een door de objectiviteit gedicteerde consensus zou komen over hoe de maatschappij diende te worden ingericht. Linkse politici koesteren die ambitie nog steeds. Zij geloven dat de werkelijkheid ‘zoals ze is’ uiteindelijk doorslaggevend zal zijn voor de politieke keuzes van mensen; en dat rationeel verworven inzichten (‘de cijfers wijzen uit’) voldoende voedingsbodem vormen voor gezamenlijke overeenstemming over het te voeren beleid. Zoals hun filosofische geestesvaders de ‘schijn’ probeerden te ontstijgen om tot Waarheid te komen, zo proberen linkse politici het retorische machtsspel te ontstijgen om tot Consensus te komen: ze willen, met andere woorden, liever niet meedoen met ‘het spelletje’ dat politiek wordt genoemd.

Lijnrecht daartegenover staat de traditie die, grof gezegd, loopt van Thomas Hobbes tot Friedrich Nietzsche en Richard Rorty. Hun filosofieën lopen sterk uiteen, maar wat ze deelden was hun kritiek op dat aloude Platoonse onderscheid tussen ‘schijn’ en ‘werkelijkheid’. De werkelijkheid, stelden zij, is zoals hij schijnt te zijn – bemiddeld door emoties, taal, cultuur en vooral: onze tegenstrijdige belangen. Van een ‘objectieve’ realiteit daarachter is geen sprake; een mens kan ‘zijn perspectief’ op de wereld nu eenmaal niet ontstijgen. Rechtse politici voelen zich over het algemeen veel meer in deze traditie thuis. Daardoor beschouwen zij het politieke bedrijf eerder als een kwestie van retoriek: het gaat erom welk beeld je van de werkelijkheid wenst te schetsen, niet om de vraag of de realiteit er ook echt mee ‘correspondeert’.

Politici als Job Cohen (maar ook Femke Halsema en Emiel Roemer) hebben daar zichtbaar moeite mee. Ze koesteren een filosofische weerzin tegen retoriek, die volgens hen slechts bedoeld is om de ‘feiten’ geweld aan te doen. Zij willen liever ‘eerlijk’ zijn en schamen zich ervoor de wereld anders voor te doen ‘dan ze is’. Wilders noemde Cohen laatst de „politieke reïncarnatie van Ella Vogelaar” en daar had hij volstrekt gelijk in, maar op een andere manier dan de PVV-leider bedoelde: wat Cohen en Vogelaar gemeen hebben is dat ze erop vertrouwen dat de kiezer hen beoordeelt op wat ze presteren in plaats van op wat ze beweren. Dat succesvol beleid het op den duur altijd wint van succesvol spinnen.

Hun rechtse collega’s denken daar van nature anders over. Zij weten dat politiek eerder een kwestie is van gelijk krijgen dan van gelijk hebben – en deinzen er dus veel minder voor terug om de wereld op zo’n manier voor te spiegelen dat het in hun voordeel werkt. Dat is geen kwestie van onoprechtheid: zij geloven echt dat de waarheid eerder ‘gemaakt’ dan ‘ontdekt’ wordt. Daarom maken ze bombastische internetfilmpjes en verzinnen ze pakkende oneliners die aan hun opponenten blijven kleven. Anders gezegd: rechts politiseert, links analyseert. Ter illustratie hoef je alleen maar te kijken naar wat de lijsttrekkers als eerste deden toen de campagne na ‘Tripoli’ werd hervat: Femke Halsema gaf een college over coalitievorming aan studenten van de Bestuursacademie in Tilburg; Mark Rutte ging flyeren voor de hypotheekrenteaftrek op de markt in Den Bosch. Beter kun je het verschil niet samenvatten.

Nu kun je als kiezer natuurlijk sympathie koesteren voor de manier waarop links politiek bedrijft, maar het probleem is: de mediacratie koestert die niet. De manier waarop nieuws tegenwoordig tot stand komt, is de analytici onder de politici niet gunstig gezind. Nieuws is niet wat ‘waar’ is, zoals in idealistischere tijden nog weleens werd gezegd, maar wat ‘scoort’. Kranten, omroepen en websites worden, meer dan de journalisten zélf vaak willen, gedreven door commerciële belangen. Om advertenties te kunnen verkopen, zal er zoveel mogelijk aandacht moeten worden gegenereerd.

Dus wordt van politiek een ‘wedstrijd’ gemaakt, met de knapste koppen en de rapste tongen in de hoofdrol. In zo’n omgeving gedijt de ‘retoriek’ veel beter dan de ‘werkelijkheid’. Gedijt Geert Wilders beter dan Femke Halsema en Mark Rutte beter dan Job Cohen.

Daar zal links een, liefst niet al te filosofisch, antwoord op moeten vinden.