Ik wilde eigenlijk een lekkere thriller maken

Yaron Shani maakte samen met Scandar Copti Ajami.

De film werd in Cannes bekroond met de Camera d’Or voor beste debuut.

Een kassucces in Israël, genomineerd voor een Oscar en vorig jaar op het Filmfestival Cannes bekroond met de Camera d’Or voor beste debuut: de dromen van regisseursduo Scandar Copti (1975) en Yaron Shani (1975) waren iets bescheidener toen ze aan Ajami begonnen.

„Eigenlijk wilde ik gewoon een lekkere thriller maken”, vertelt Shani aan de telefoon uit Tel Aviv. „Ik zat nog op de filmacademie en had een script geschreven vol suspense en surprises. Toen kwam ik in contact met Scandar Copti en ontstond het idee om het verhaal in Jaffa, ooit een oude Palestijnse havenstad, nu een buitenwijk van Tel Aviv, te situeren. Toen sloop langzamerhand ook de politiek in het verhaal. Opeens waren een Palestijn en een Jood samen een film aan het maken en werd Ajami de eerste Arabische urban film uit Israël.”

Ajami is wel vergeleken met de Amerikaanse Oscarwinnaar Crash: een mozaïekfilm die met een pistoolschot begint en daarna de levens van een aantal Joodse, christelijke en islamitische inwoners van Ajami, een multiculturele buurt van Jaffa, met elkaar in botsing brengt. Shani: „De trigger voor de film was de vraag wat voor effect het op een gemeenschap heeft als er iemand door een misverstand wordt vermoord. Ajami is een explosieve buurt, het Harlem van Tel Aviv, waar het merendeel van de Arabische bewoners zich met drugs- of wapenhandel bezighoudt. Misdaad om te overleven. Maar omdat de buurt maar vijf minuten van de zee ligt, worden er veel huizen opgekocht door rijke Joden, waardoor de huizenprijzen stijgen en de conflicten tussen de verschillende bevolkingsgroepen nog verder op de spits worden gedreven. Ze spreken niet eens dezelfde taal.”

Taal speelt sowieso een belangrijke rol in uw film om de bevolkingsgroepen van elkaar te onderscheiden.

„Alleen al aan hoe iemand Jaffa uitspreekt, kun je horen of het een Jood of een Palestijn is. In het Ivriet zeg je Djaffa, in het Arabisch Jaffa. Negenennegentig procent van de Joden spreekt geen Arabisch, terwijl de Arabische minderheid een soort mengelmoesje van beide talen spreekt. Als de Joodse buurman komt klagen over geluidsoverlast, dan is het feit dat hij Ivriet spreekt in een Arabische wijk genoeg om de situatie meteen op scherp te zetten.

„En andersom, als Binj (een rol van co-regisseur Copti) in een discotheek in Tel Aviv een telefoongesprek in het Arabisch voert, wordt dat in die omgeving ook meteen als bedreigend ervaren. Alleen al in de taal liggen zoveel lagen: van geschiedenis, geweld, achterdocht. En taal is een van onze belangrijkste manieren om onze identiteit uit te drukken. En het gaat in Ajami om de rol die identiteit speelt in culturele conflicten. Al denk ik trouwens dat in Israël het grootste probleem niet het religieuze of het culturele conflict is, maar het nationale.”

Uw film is soms zo realistisch dat ik me moest afvragen of u niet liever een documentaire had gemaakt.

„Sterker nog, dingen die in de film gebeuren, zoals de moord in het begin, hadden daar ook werkelijk plaats toen we aan het draaien waren. Ik ben geïnteresseerd in een stijl die tussen feit en fictie in ligt. Maar ik hou van filmische verhalen, vandaar de complexe structuur van het scenario. Het doel van de film was om mensen te laten ervaren hoe moeilijk het is om verschillende percepties van de werkelijkheid te delen.

„De bottom line van de film, maar ook van het grotere plaatje, is dat een conflict nooit zomaar een conflict is tussen goed en kwaad, tussen gelijk hebben en geen gelijk hebben, maar tussen mensen. Mensen komen met elkaar in botsing. Dat is waarom ze elkaar pijn doen, vermoorden, uitstoten. Ik hoef niet per se een multiculturele boodschap uit te dragen met Ajami. Maar het zou wel helpen als we wat vaker in elkaars schoenen zouden staan.”