De tv-regisseur verwaarloost hem

Schrijver Yvonne Kroonenberg schaduwt Alexander Pechtold. Deel 3: Het televisiedebat in het Amsterdamse Carré. „Ik ben warempel een beetje trots op hem.”

Het gaat om alomtegenwoordigheid. ’s Ochtends is Alexander Pechtold in Wilnis om met de dijkgraaf te praten, daarna is hij in Den Haag voor de televisieopname van EénVandaag en om half vijf komt hij de stadsschouwburg van Amsterdam binnenwandelen om de eerste Maarten in ontvangst te nemen, het historisch tijdschrift van Maarten van Rossem. Een grotere lichamelijke tegenstelling kan ik mij niet voorstellen: morsige Maarten en de gepolijste Pechtold. Tot nu toe heb ik hem nog niets van papier zien lezen. Deze toespraak leest hij voor. In korte staccato uitgesproken woorden wijst hij op een ander verschil tussen Van Rossem en hem: hijzelf is optimistisch.

Ik hoop dat hij inderdaad zo zonnig is, want ’s avonds is het debat in Carré en hij moet zich nog voorbereiden. Terwijl Maarten achteloos een antwoord uit zijn mouw schudt, zit ik als een razende te bellen om toegang tot het theater te krijgen. Vanwege Wilders wordt Carré vanavond bewaakt als het Pentagon en de kans dat ik binnenkom is klein. Het gaat mij niet om het debat zelf. Ik wil Pechtold zien oefenen. De politici moeten in 30 seconden een verkiezingsprogrammapunt kunnen formuleren, een soort goocheltruc, en ik wil hem dat konijn graag zien temmen. Het lukt niet om de bewakers te vermurwen. Verslagen loop ik naar huis en ga voor de televisie zitten. Dat doe ik niet zo vaak. De meeste programma’s zijn verpakt in een spel met een puntentelling en daar hou ik niet van. Het lijsttrekkersdebat lijkt ook wel X-factor. Het publiek joelt wanneer Mark Rutte een belediging uitserveert en roept boe als Cohen de kookwekker niet haalt met de CPB-cijfers. Alle politici stotteren van de inspanning. Alexander Pechtold houdt zich goed. Hij hakkelt maar een beetje en weet Rutte nog een sneer te geven over Neelie Kroes, de grote zus uit Brussel. Ik ben warempel een beetje trots op hem. Tegelijkertijd besef ik nu pas dat D66 de afgelopen jaren een kleine partij is geweest. Als je iemand een week lang vaker ziet dan je huisdieren, ga je denken dat hij heel wat voorstelt. Aan de camerabewegingen kan ik zien dat de regisseur van het programma andere politici belangrijker vindt. Als het debat is afgelopen, kijk ik naar de nabespreking. Wat zouden ze van Pechtold vinden? Maar hij wordt verguisd. Zijn opmerking over de zus vinden ze goedkoop. Wie denken ze wel dat ze zijn? Eerst maken ze van de aanloop tot de verkiezingen een spelprogramma en dan komen ze ook nog met zelfbenoemde deskundigen uitmaken wie er gewonnen heeft. De kijkers thuis mogen meestemmen. Maar dit begrijpen de mensen tenminste. Als ze echt naar het stemlokaal moeten, schijnt de helft niet te weten wat je daar moet doen.

Wordt morgen vervolgd