Culturele kortsluiting in de 'Mean Streets' van Jaffa

Ajami. Regie: Scandar Copti, Yaron Shani. Met: Shahir Kabaha, Ibrahim Frege. In: 5 bioscopen. ****

Bij Ajami, een Israëlisch filmdebuut, denk je soms een kruising tussen Pulp Fiction en Britse gangsterfilms van Guy Ritchie te zien. Semicriminele krabbelaars met spitse, natuurlijke dialogen, een script dat zich als een slang oprolt, zichzelf in de staart bijt, hetzelfde moment uit steeds andere invalshoeken belicht. Dan Guy Ritchie: gisse jongen komt ten onrechte bij een onverzoenlijke maffiabende in het krijt te staan. Zie hem desperaat tussen misdadigers laveren om te overleven, jagen op een Hitchcockiaanse McGuffin die alle problemen zal oplossen. Hier een kostbare zak met vermoedelijk cocaïne.

Maar in Ajami, geregisseerd door de Arabische Scandar Copti en de Joodse Yaron Shani, staat dat soort plotelementen niet in dienst van een avontuur in een cartooneske onderwereld. Het is ze ernst. In onopgesmukte, semidocumentaire schoudercamerastijl biedt deze film een misdaaddrama verstoken van sentiment, gesitueerd in de ‘Mean Streets’ van de arme, multiculturele wijk Ajami in havenstad Jaffa, vlak onder Tel Aviv. De levens van de grotendeels uit amateurs bestaande cast kruisen elkaar, de draadjes maken kortsluiting en geweld volgt, abrupt en onverwachts. Een tiener neergemaaid terwijl hij een auto wast. Een andere tiener in een parkeergarage door het hoofd geschoten door een politieman. De film draait dan terug, pikt de draad van een ander leven op, tot alles verklaard is. Het hechte, knap geconstrueerde script van Ajami laat de spanning zich vroeg ontladen, al zijn alle slachtoffers dan nog lang niet geteld. Fascinerend om te ontdekken hoe het allemaal zover gekomen is.

Ajami geeft zo bijna terloops een rauw beeld van wrijving in een wijk waar Joden, moslims en christenen veroordeeld zijn tot samenleven in onderling wantrouwen. De voertaal is Arabisch doorspekt met Ivriet, bron van inkomsten is kleine criminaliteit en drugs.

Hoofdrolspeler, voor zover je dat kan zeggen, is de jonge Arabier Omar, wiens familie zich de wraak van een machtige bende op de hals haalt door per abuis een afperser neer te schieten. Omar moet de kastanjes uit het vuur halen; hij heeft daarnaast een riskante affaire met de dochter van zijn christelijke baas, een restauranthouder met connecties. Er is een wrokkige politieman wiens vrouw verlamd is van verdriet omdat hun zoon als soldaat verdween, vermoedelijk vermoord door Palestijnen. Een jonge illegaal die geld nodig heeft voor zijn moeders operatie. Ruzie tussen Arabische hangtwintigers en een Joodse bejaarde, met fatale gevolgen.

Ajami vormt een welkome aanvulling op een serie doorvoelde films waarin Israëlische filmmakers met het recente oorlogsverleden afrekenen: Beaufort, Waltz with Bashir, Lebanon. Die tonen hoe strijd met een vijand levens verwoest. In Ajami wonen vijanden ondraaglijk dicht opeen, maar wordt conflict getemperd door gelegenheidscoalities, handeltjes, gedempte gesprekken achterin bars. Dat stemt op een perverse manier hoopvoller dan het recente, van stilstand en fatalisme doordrenkte The Time That Remains. Ajami is een venster op een benauwende, dissonante, stressvolle wereld. Goed loopt het zelden af. Maar in elk geval beweegt het.