Wordt 't vechten?

Noord-Korea lijkt aan te sturen op een gewapend conflict met Zuid-Korea.

Toch zal het niet zomaar tot vechten komen. Daarvoor is de situatie te complex.

De boze retoriek tussen Noord-Korea en Zuid-Korea wordt met de dag, nee, per uur, explosiever. De kans op een grootschalig gewapend conflict lijkt navenant toe te nemen. Toch zijn er verschillende militair-strategische redenen die gewapende escalatie afremmen.

Zo hebben de Noord-Koreaanse strijdkrachten dezelfde signatuur als die van Irak in 1991, aan de vooravond van Desert Storm: meer dan een miljoen diep ingegraven manschappen, duizenden tanks, pantservoertuigen en stukken geschut.

Zelfs de sovjetherkomst van de uitrusting komt grotendeels overeen. Noord-Korea vliegt met een paar honderd MiG-19’s en MiG-21’s rond, types die in de Yom Kippoer-oorlog van 1973 al geen partij bleken te zijn tegen Franse en Amerikaanse gevechtsvliegtuigen waarmee de Israëlische luchtmacht vloog.

Ook de starre commandostructuur komt overeen met die van het Iraakse leger onder Saddam Hoessein. Die rigiditeit tast de slagkracht significant aan. Manschappen kunnen niet adequaat reageren op de snelle dynamiek van het conflict. Ze hollen achter de feiten aan, met fataal gevolg.

Zo’n krijgsmacht mag dus op papier reusachtig zijn, in gevecht met een hightechtegenstander blijken de lemen voeten.

Zuid-Korea heeft de strijdkrachten de afgelopen twintig jaar grondig gereorganiseerd en gemoderniseerd. De aanval met – waarschijnlijk – een minionderzeeboot op het Zuid-Koreaanse korvet Cheonan lijkt op het omgekeerde te wijzen, maar bij eerdere zeeslagen waren de verouderde Noord-Koreaanse patrouillevaartuigen geen partij voor de moderne marine van de zuiderbuur.

Mochten Noord-Koreaanse eenheden het bevel krijgen op te trekken, dan moeten ze hun betonnen schuilplaatsen verlaten. Zuid-Koreaanse en Amerikaanse formaties zouden de Noord-Koreaanse colonnes eenvoudig kunnen treffen. De Amerikaanse krijgstheoreticus Thomas Hammes stelt daarnaast dat de Noord-Koreanen hun vechtlust meteen zouden verliezen bij het zien van de welvaart van de zuiderbuur. „Misschien herkennen ze de videorecorders, televisies en computers niet, want die hebben ze nog nooit gezien, maar ze zullen wel zien dat alle huishoudens voedsel in overvloed hebben, zachte bedden en warm kraanwater.”

Op het Koreaanse schiereiland zijn bijna dertigduizend Amerikaanse militairen gelegerd. Dat klinkt als een bescheiden troepenmacht, maar in de contingencyplannen die het Pentagon voor een Noord-Koreaanse inval heeft opgesteld, spelen grondeenheden een kleine rol. De hoofdrol is toebedeeld aan luchtstrijdkrachten en gevechtshelikopters. Op vliegbases in Zuid-Korea, Japan en eilandbases en vliegdekschepen in de Stille Oceaan staan honderden gevechtsvliegtuigen klaar, met het oog op precies zo’n scenario.

De VS en Zuid-Korea hebben de afgelopen jaren de Noord-Koreaanse krijgsmacht in kaart gebracht. Het Noord-Koreaanse staatsbureau klaagt routinematig over spionagevluchten, uitgevoerd door vliegtuigen die met radarsystemen diep het land in kunnen kijken.

Toch is Noord-Korea volgens de Amerikaanse militair analist en Noord-Koreakenner Joe Bermudez „geen papieren tijger”. Op het gebied van speciale eenheden over land, door tunnels onder de DMZ, of vanuit zee, die in Zuid-Korea kunnen infiltreren, heeft Noord-Korea een reputatie te verliezen. Maar de grootste troef is, aldus Bermudez in een vakblad, „misschien wel het grootste aantal ballistische raketten ter wereld.” Het gaat hierbij om raketten als de Nodong, die doelen tot in Japan kunnen raken. Maar vooral de simpele raketten die de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoul kunnen raken, trekken de militaire balans recht. Noord-Korea kan het granaten op de hoofdstad van de zuiderbuur laten hagelen, sommige geladen met chemische wapens.

Zuid- en Noord-Korea zijn als soldaten die elkaar in een knellende wurggreep houden. Die wederzijdse armklem maakt het ze lastig om naar de vuurwapens te grijpen.