Woraam knnuen we dit zedonr peemrobln lzeen?

Het mkaat neit uit in wleke vloogdre de ltteers in een worod saatn: zalnog de ereste en ltasate leettr op de jisute platas satan kun je de metsee wroeodn zdoner proleebmn lzeen. Hoe kmot dat, vgraat Anramd Leenares uit Uethrct.

De Leidse hoogleraar psycho- en neurolinguïstiek Niels Schiller slaakt een diepe zucht als hij de vraag hoort. „Taalkunde is best een moeilijk vak”, waarschuwt hij, „verwacht geen pasklare antwoorden.” Ook Jan Berenst, onderzoeker taalbeheersing aan de Rijksuniversiteit Groningen, zegt: „Het is niet gemakkelijk, hier zijn verschillende verschijnselen tegelijk aan het werk.”

Het zit zo, zegt Berenst: we lezen niet van letter naar letter, maar op basis van verwachtingen. Zonder een woord volledig te lezen maken we er al een voorspelling van in ons hoofd. Door bijvoorbeeld naar de eerste en laatste letter te kijken, maar ook door te gokken met behulp van voorafgaande woorden. Zo kunnen we veel sneller lezen dan we zouden doen als we elke letter afzonderlijk zouden moeten bekijken.

Vergeet daarbij niet, zegt Schiller, dat de bekendheid van het woord van invloed is op de herkenning ervan. Het merk French Connection UK gebruikt het verschijnsel met succes voor reclameboodschappen, weet Schiller. ‘Fcuk’, zo wordt het kledingmerk vaak afgekort. En bij lidwoorden is het helemaal erg. We weten na miljoenen keren ‘de’ of ‘het’ te hebben gelezen allang wat voor een zelfstandig naamwoord staat. De juiste spelling is dus geheel overbodig. We lezen zelfs grotendeels over lidwoorden heen, blijkt uit onderzoek.

Volgens Berenst heeft de lettervolgorde wel effect op het lezen, maar geen doorslaand effect. Hij noemt een onderzoek naar de snelheid waarmee we woorden lezen waarvan de binnenste letters door elkaar gehusseld zijn. Die ligt ongeveer 11 procent lager dan de leessnelheid van woorden met letters in de juiste volgorde.

Maar dan moet je er wel rekening mee houden dat het husselen beter werkt als je de lettergrepen in stand houdt, zegt Schiller: ‘ofilant’, leest makkelijker dan ‘ilofant’.

„Er zijn dus ontzettend veel niveaus die meespelen bij dit specifieke verschijnsel”, verzucht Schiller. „De letters, de lettergreep, de structuur van het woord, het zinsverband, en zelfs de mate waarin de letter en de klank corresponderen. Al die factoren zou je in een model moeten beschrijven, en dat model is dan de verklaring waar je naar op zoek bent. Begrijp je nu waarom taalkunde best een moeilijk vak is?”

Reinier Kist