Wiskunde is geen taal

In `De taal van bèta`s is internationaal` betogen Ramy El-Dardiry en Ad Lagendijk dat wiskunde een universele taal is (Opinie & Debat, 22 mei). Wiskunde - ook rekenen valt hier onder - is echter geen taal. Wel bedient men zich in de wiskunde van een taal: die van de door velen gevreesde formules, rekenregels en logische redeneringen. Deze wiskundige taal leer je begrijpen en beheersen door middel van de gewone (lands)taal. Wanneer je een nieuw begrip invoert, geef je een definitie in woorden. Als ik een willekeurige Nederlander, die ten minste vmbo heeft, naar de stelling van Pythagoras vraag, is het antwoord in het beste geval a2 + b2 = c2. Maar op de vraag wat die formule betekent en wat je ermee kunt doen, blijven de meesten het antwoord schuldig. Daarvoor moet je de betekenis van deze relatie tussen de zijden van een rechthoekige driehoek in gewone taal kunnen omschrijven en begrijpen. Wie een exact vak beoefent, moet overigens met zo`n formule wel vlot kunnen rekenen. Ook algoritmen zoals staartdelen en worteltrekken kunnen pas begrepen worden als je ze in taal uitlegt. Kortom, wiskunde en rekenen beginnen met taal en dus met denken. ”Techniek begint met rekenen”, beweren de auteurs. Maar ook hier begint het met denken en dus met taal. Daarom ook is taal zo belangrijk voor bèta`s, in het bijzonder voor de bèta-georiënteerde allochtonen. Ook ik pleit er voor dat meer leerlingen een bètastudie kiezen, maar laten we ze niet opleiden tot willoze rekenmachines. Alles begint en eindigt met denken in taal.