Strenger toezicht op financiële sector krijgt langzaam vorm

Grote banken hebben eindelijk de zin begrepen van het debat over financiële hervormingen. Het Institute of International Finance, dat de grootste kredietverstrekkers ter wereld vertegenwoordigt, propageert een plan om financiële instellingen veilig failliet te kunnen laten gaan. De vorming van een geloofwaardig, grensoverschrijdend regime daarvoor is de beste hoop van de sector om drastischer maatregelen te voorkomen.

Het voorbereiden van banken op een eventueel faillissement is geen nieuw idee: beleidsmakers dringen er al meer dan een jaar op aan. De Britse toezichthouder, de Financial Services Authority (FSA), heeft al aan een paar grote banken gevraagd om zogenoemde ‘testamenten’ op te stellen. Maar gezien de vijandige houding van de sector jegens de meeste nieuwe regelgeving, is het besluit om dit idee te omarmen bemoedigend.

Het failliet laten gaan van grote banken is niet makkelijk. Het faillissement van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers in 2008 bracht diverse breuklijnen aan het licht in de interne structuur van de bank en in de manier waarop faillissementswetten in verschillende landen functioneren. Maar als de banken willen meewerken, wordt het construeren van een grensoverschrijdend regime in wezen een ingewikkeld probleem van de bedrijfsfinanciën: lastig, maar niet onoverkomelijk.

Ieder plan moet uiteraard geloofwaardig zijn. Maar als de crediteuren van een grote bank geloven dat zij zwaar te lijden zullen hebben van een ineenstorting, dan moet dat duidelijk blijken uit de ‘spreads’ op de schulden van die bank (ofwel de rente die over die schuld moet worden betaald) en uit de kredietstatus die haar verschillende divisies krijgen toegekend. Als de dreiging van een bankroet niet geloofwaardig is, zullen de toezichthouders drastischer maatregelen moeten overwegen voor grote banken, zoals het opsplitsen ervan of het beperken van hun activiteiten.

Voor het failliet laten gaan van grote, grensoverschrijdende financiële instellingen kan nog steeds wel wat geld van de belastingbetaler nodig zijn. Iedereen is het erover eens dat deze kosten uiteindelijk door de sector zelf gedragen zullen moeten worden. Maar sommige beleidsmakers, waaronder EU-commissaris Michel Barnier, geloven dat het geld van tevoren moet worden binnengehaald via een heffing op de banken.

Dat zou een vergissing zijn. Landen moeten vrij zijn om hun banken te belasten. Maar het wegsluizen van dat geld naar speciale fondsen kan juist het risico van onverantwoord gedrag in de hand werken, omdat beleggers dan misschien verwachten dat het zal worden gebruikt voor toekomstige reddingsoperaties.

Zolang de overlevende banken daarentegen weten dat zij moeten opdraaien voor de kosten van een ineenstorting, zullen zij gemotiveerd zijn om de sector in de gaten te houden en toezichthouders ertoe aanzetten snel tussenbeide te komen. Dan zou het financiële systeem pas werkelijk veiliger zijn.

Peter Thal Larsen