Het leed der bleke Belgen

Wat zijn wij lachwekkend tijdens prille zomerdagen. Zonnebanken worden bezocht opdat onderbenen minder natuurlijk zonlicht reflecteren. Vet wordt met grotere ernst bestreden.

Wat zouden wij opgelucht ademhalen als wij niet aldoor moesten moeten, maar wij kennen seizoenen, wij moeten wél, wij kunnen niet zomaar wat liggen in het gras, gewoon wat ruiken aan de bloemen (waarvoor wij zonder antihistaminica allergisch zijn).

Dus kopen wij verbeten dure zonnebrillen die wij evengoed verliezen als goedkope, bestellen wij cafés frappés op terrassen om zuiders te doen en maken wij fietstochten door eigen streek, met leeftijdgenoten. Parken bezetten wij met picknickmanden, zwaar als riooldeksels maar zonder bestek – helaas, vergeten, en die stinkbrie laat zich blijkbaar moeilijk in stukken breken (alstublieft, gooi hem hier weg in plaats van thuis).

Nu onze huid begint te prikken, blijkt ook de factor dertig in de koele woonkamer te zijn achtergebleven. Was die eerste zon nu minder gevaarlijk wat betreft huidkanker, of gevaarlijker, vragen wij ons hardop af. Een discussie volgt, er moet zelfs wat worden gekalmeerd. Dat heb je wel met dit weer, het maakt ons wat explosiever – mediterranen hebben dat ook, maar die verbranden doorgaans minder. De schuimwijn koelt af, het bijschenken moet sneller. Gelukkig hebben wij mobiele telefoons voor dode momenten. Wij stellen een nieuwe ringtone in, iets met een trompet, dat wij niet herkennen als wij worden opgebeld. Wij moeten ons excuseren, wij kunnen niet komen barbecuen volgend weekend, want wij organiseren er zelf een, wij zouden daar nog een uitnodiging voor mailen, uiteraard, maar met dit mooie weer zitten wij niet vaak aan ons bureau. Maar welkom, vanzelfsprekend. Wij hopen op vergeving en kijken naar volle boomkruinen in een lichte bries, nog iets wat wij vaker moeten doen, kijken naar hoe dat zonlicht er doorheen priemt. (Nu moeten wij echter iets drinken.) Wij duwen onze bleke kinderen in de richting van modderige vijvers, hun hoofdjes in duikbrillen gesnoerd, het klapperen van hun melktanden door snorkelmondstukken verhinderd. Wanneer wij hun rillende, geliefde lijfjes in het tafellaken wikkelen (handdoeken vergeten) liegen wij dronken dat hier in de buurt geen ijsjes te koop zijn, helaas.

Ons gedrag is hoogst normaal, want het was een eindeloze winter. En al dat IJslands as, dat onze ontsnappingspogingen dwarsboomde. En onze regeringen maar vallen. Elk volk zou zo reageren als het ons was. En ’s avonds is het toch nog koud.