Het had best wat meer algebraïsch gemogen

NRC-redacteuren maken tijdens de eindexamentijd hun ‘slechtste’ vak opnieuw. Gistermiddag was dat wiskunde A (vwo).

Niemand in mijn familie heeft aanleg voor exacte vakken. Dat was mijn excuus toen ik in 1992 een 5,4 haalde voor mijn vwo-eindexamen wiskunde A – en daarmee een 5 op mijn lijst. Na bijna twintig jaar kan ik bekennen dat die onvoldoende niet zozeer te maken had met het ontbreken van een wiskundeknobbel, als wel met het feit dat ik zes jaar lang mijn huiswerk niet had gemaakt.

Omdat ik een scherp geheugen had voor gelezen tekst, brak mijn gebrek aan inzet me bij de overige vakken – talen, geschiedenis, aardrijkskunde – niet op. Maar wiskunde had ik alleen tot een goed einde kunnen brengen door flink te oefenen. Drie avonden formules stampen met een vriend die wel talent voor cijfers had, bleek net niet voldoende. Later, toen ik me tijdens mijn studie bezighield met wetenschapsgeschiedenis, had ik spijt dat ik niet beter had opgelet op school. De schoonheid van exacte vakken viel me pas op toen het al te laat was.

Maar goed, met wiskunde heb ik sinds mijn afscheid van het middelbaar onderwijs helemaal niets meer gedaan, dus de opgaven van het vwo-eindexamen wiskunde A van gisteren nam ik ter hand in de volle overtuiging dat ik er helemaal niets van zou bakken. Bij het lezen van de eerste vraag maakte mijn hart echter een sprongetje. Dit was geen wiskunde, dit was rekenen!

„Een marathonloopster legt de marathon af in 2 uur, 43 minuten en 32 seconden. Bereken haar snelheid in m/s.” Hup, rekenmachine erbij en een halve minuut later had ik het goede antwoord: 4,2 meter per seconde.

Van dit soort opgaven zaten er meer in het examen. Voor iemand die goed heeft leren rekenen op de basisschool mogen deze sommen geen probleem vormen. Maar wat hebben ze te zoeken op een vwo-examen wiskunde?

Dat vroeg Ad van den Boogert, sinds 1972 docent wiskunde en werkzaam op het Christelijk Lyceum in Delft, zich ook af. „Bij dit examen waren flink wat punten te verdienen met zaken die niet echt wiskundig waren. Daarvoor heb je als leerling toch niet twee jaar je best gedaan. Het had wat mij betreft allemaal wel wat meer algebraïsch gemogen.”

Zo moest er in het hele eindexamen maar één keer worden gedifferentieerd, om met behulp van de afgeleide het maximum van een functie te berekenen. De examenkandidaat moest zo bepalen op welke leeftijd marathonloopsters gemiddeld hun beste tijd lopen (Dat is overigens ongeveer 27 jaar).

De eerste opgave was dus verpakt in een verhaaltje over hardlopen. De overige wiskunde werd verstopt in stukken tekst over onder meer gezinsinkomens en uitvaartverzekeringen. Er stonden, kortom, veel meer letters dan cijfers op het opgaveblad. „Dit was het eerste vwo-wiskunde-examen van de tweede fase nieuwe stijl”, legt Van den Boogert uit. „Daarin speelt taal een belangrijker rol dan voorheen.”

En daarover is de wiskundedocent niet echt te spreken. „Bij ons op school is het geen groot probleem, maar je hebt leerlingen die goed zijn met cijfers en minder goed met taal. Die zouden daarvoor niet gestraft moeten worden op een wiskunde-examen. Vooral allochtone leerlingen met aanleg voor exacte vakken kunnen hiervan hinder ondervinden.”

Hoewel het examen van gisteren zoals gezegd niet erg algebraïsch was, hadden de meeste leerlingen wel alle beschikbare tijd nodig om de vragen te maken. Van den Boogert: „Het was veel. Het doorgronden van de opgaven nam flink wat tijd in beslag.”

Omdat het de eerste keer is dat dit examen nieuwe stijl is afgenomen, zal het zeker nog worden geëvalueerd. Maar ik hoop van harte dat wiskunde zo talig blijft. Dan wordt mijn zoontje over 16 jaar de eerste in de familie met een voldoende voor een exact vak.

Examenopgaven en reacties op nrc.nl/onderwijs