Gevonden: graftoren

Bij een Romeinse villa in Brabant stond ooit een groot monument.

Het is waarschijnlijk het graf van de eigenaar, een soldaat.

Bij de Romeinse villa in het Brabantse Hoogeloon heeft vroeger een zeven meter hoog grafmonument gestaan, een graftoren op een grafheuvel. Dit blijkt uit onderzoek van oude opgravingsarchieven. „Het is de eerste keer dat we zo’n monument op het Romeinse platteland vinden”, zegt Nico Roymans, hoogleraar West-Europese archeologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het gaat volgens Roymans om een grafmonument dat ooit zo’n zeven meter hoog was en bestond uit een rechthoekige sokkel, een tempelachtig middenstuk (aedicula) met beelden van de stichter en overledene en een piramidevormig dak.

De grafheuvel is in de loop van de negentiende eeuw afgegraven. „Hij heette toen de Kabouterberg”, weet Roymans. „Volgens de overlevering zou hier kabouterkoning Kyrië zijn begraven. Vermoedelijk was deze sage van middeleeuwse oorsprong. Het verhaal kan volgens mij gezien worden als een mythische interpretatie door de plaatselijke bevolking van niet alleen de grote grafheuvel maar ook het toen nog zichtbare puin van de Romeinse graftoren.”

In de jaren tachtig hebben archeologen van de VU vijftien kilometer ten westen van Eindhoven een villa rustica, een Romeinse boerderij met monumentaal hoofdgebouw, compleet met bijgebouwen opgegraven. Ook een naburig grafveld is toen onderzocht. „Geld en tijd ontbraken toen om alle vondsten goed te onderzoeken en te publiceren.”

Roymans heeft onlangs 800.000 euro subsidie van onderzoeksorganisatie NWO gekregen om met zijn groep alsnog de villa met omgeving in zijn (internationale) context te onderzoeken en te publiceren. Al snel ontdekten Roymans en zijn collega’s in het depot van de VU de resten van een grote rechthoekige stenen fundering (1,75 × 3,5 meter) en honderden kleine brokstukken kalksteen die gevonden waren bij wat eens een grafheuvel van vijftig meter doorsnee is geweest. „Op de opgravingstekeningen zagen we dat bij de heuvel een grote kuil is geweest met precies de maten van de fundering. En omdat enkele brokstukken duidelijk afkomstig zijn van pilasters of fragmenten bevatten van een kledingplooi en een vinger kwamen we tot de conclusie dat de kuil de standplaats is geweest van een grafmonument.”

Torenachtige grafmonumenten zijn bekend uit Duitsland, zoals de Igelersäule in Trier en het monument van Lucius Poblicius in het Römisches-Germanisches Museum in Keulen. In Nederland zijn fragmenten gevonden in Nijmegen en Maastricht. Roymans: „Op basis van de stijl dateren we ons grafmonument begin tweede eeuw na Christus. In die tijd waren het vooral mensen met een militaire achtergrond die dergelijke grafzuilen oprichtten.”

Het toeval wil dat Roymans en de zijnen tussen de in de jaren tachtig opgegraven vondsten van de villa ook de resten hebben gevonden van een Romeins bronzen militair diploma. „Dat kreeg iedere Romeinse soldaat na eerval ontslag. Door deze vondst hebben we in één klap een samenhangend verhaal over het grafveld, het grafmonument en de villa.”

Roymans ziet het zo voor zich: iemand uit de omgeving heeft jarenlang dienst gedaan in het Romeinse leger en is opgeklommen tot officier. Na zijn eervolle ontslag keert hij, verromaniseerd en al, terug naar zijn geboortegrond. Daar laat hij een boerderij in Romeinse stijl bouwen. Hij reserveert voor zichzelf vast een plek bij het lokale grafveld, dat al enkele eeuwen in gebruik is. Als graf laat hij een grote tumulus van vijftig meter doorsnee opwerpen. Naast de heuvel komt een torenachtig grafmonument, waarvoor hij niet op de kosten bespaart, want hij laat kalksteen uit de Franse Maasvallei komen en trekt een goede beeldhouwer aan. „Afgaande op de kwaliteit komt die beeldhouwer waarschijnlijk niet uit het naburige Nijmegen, maar uit Keulen”, denkt Roymans.