De pil

Wat gebeurt er als je de eierstokken van een zwanger konijn zonder foetus implanteert in een ander konijn? Dat vroeg de Oostenrijkse fysioloog Ludwig Haberlandt zich kort na de Eerste Wereldoorlog af. Het antwoord was opzienbarend: het konijn met de nieuwe eierstokken produceerde zo’n grote hoeveelheid van het vrouwelijke geslachtshormoon progesteron dat het enkele maanden onvruchtbaar bleef, zonder dat er een klein konijntje werd geboren.

De ontdekking van Haberlandt stond aan de basis van ontwikkeling van de anticonceptiepil door Amerikaanse wetenschappers in de jaren vijftig. In mei 1960 kwam de pil als officieel goedgekeurd voorbehoedmiddel op de markt. Twee jaar later introduceerde producent Organon uit Oss de pil in Nederland. Maar het Noord-Brabantse bedrijf had een klein probleempje: veel van de fabrieksarbeiders waren katholiek. Omdat anticonceptie door de kerk werd verboden – de zuilen hielden Nederland nog in een sterke greep – hadden zij morele bezwaren tegen het meewerken aan het productieproces. Organon loste de kwestie op door de pil als medicijn tegen onregelmatige menstruatie op de markt te brengen; tijdelijke onvruchtbaarheid was slechts ‘een bijwerking’. Zo redenerend konden zelfs nonnen meehelpen met het inpakken van de pillenstrips – wat ook gebeurde.

Toen de progressieve bisschop Bekkers op televisie verkondigde dat ‘de spreiding van de geboorten binnen de verantwoordelijkheid van de mens is komen te liggen’ waren gewetensbezwaren helemaal verleden tijd. De pil was niet meer aan te slepen. Midden jaren zeventig was bijna de helft van alle vruchtbare vrouwen ‘er aan’. In korte tijd werd de pil het symbool van seksuele vrijheid, individualisering en vrouwenemancipatie. Er ontstond een ‘nieuwe levensloop’: jongeren begonnen eerder met seks (en niet slechts met één partner), trouwden op hogere leeftijd en kregen minder kinderen.

Afgelopen weekeinde stond een groot congres van gynaecologen in Den Haag stil bij het feit dat het deze maand vijftig jaar geleden is dat de pil op de markt kwam. Toentertijd was de verwachting dat Nederland in het jaar 2000 twintig miljoen inwoners zou tellen. Zelfs met de grote aantallen immigranten meegerekend komen we in 2010 bij lange na niet aan dat cijfer. Zonder de pil was het nu een stuk drukker geweest. En saaier.