De man op wie de prins nooit boos is geweest

Hij ontmaskerde prins Bernhard en was tegen het huwelijk van Beatrix en Claus. Zelf zocht Harry Peschar geen aandacht.

Hij was vijftien jaar, van 1968 tot 1984, voorzitter van de Algemene Rekenkamer, maar de bescheiden Harry Peschar was vooral spraakmakend wegens twee affaires rond het Koninklijk Huis.

Peschar, die op 16 mei in Bloemendaal is overleden en inmiddels in stilte is gecremeerd, was een van de leden van de Commissie van Drie die in 1976 de rol van Prins Bernhard in de ‘Lockheed-affaire’ onderzocht. Samen met zijn medeleden Donner en Holtrop formuleerde Peschar een slotconclusie die menig Binnenhof-watcher nog jaren uit het hoofd kon opdreunen: „[...] dat Zijne Koninklijke Hoogheid zich aanvankelijk veel te lichtvaardig [had] begeven in transacties die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten en dat hij zich toegankelijk had getoond voor onoirbare aanbiedingen en zich vervolgens had laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren.”

Het corruptieonderzoek was een demasqué voor de prins. Maar ook bevatte het proza dat columnist/publicist H.J.A. Hofland tot een pleidooi bracht om de PC Hooftprijs aan deze commissie van wijze mannen uit te reiken.

Van Bernhard wilde Holtrop later weten of hij nog boos was op het drietal. In de Volkskrant vertelde prins later wat zijn anwoord was gewees: „Helemaal niet. Niet voor een minuut. [...] Ik ben het met uw conclusies eens. Ik ben alleen boos geweest op mijzelf.”

In 1965 stemde Peschar, die van 1952 tot 1968 Tweede Kamerlid voor de PvdA was, als een van de vijf leden tegen de Goedkeuringswet voor het huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg. Peschar, die tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen had gezeten, zei er later in Het Parool over: „Dat het toekomstige staatshoofd met een Duitser zou trouwen; ik kon het niet doorslikken. Ik ben van 1921, dus ik heb de hele oorlog beleefd. Alles wat bekend werd over de gruweldaden, de hele tragedie voor het Joodse volk. Die gedachte gaf mij het gevoel: ik kan niet voor dit huwelijk zijn.”

Hij was een man die veel had met cijfers en weinig met publieke aandacht voor zijn eigen persoon. Als Kamerlid in de oppositie diende hij in 1961 een tegenbegroting in, wat in die tijd uitzonderlijk was. Als president van de Algemene Rekenkamer professionaliseerde hij deze organisatie en zorgde ervoor dat haar werkterrein werd uitgebreid. Opdat de Rekenkamer zich kon ontpoppen als, zoals zijn opvolger Kordes het later formuleerde, „vriend van de belastingbetaler”.

In Haarlem en omgeving stond Peschar ook bekend als groot cricketliefhebber, een sport die hijzelf verdienstelijk had beoefend, onder anderen samen met zijn partijgenoot en mede-Kamerlid Voogd. Hij was nog een trouw bezoeker van zijn vereniging C.C. Bloemendaal „Hij kwam om te zien hoe de Bloemendaalspelers zich kweten van hun taak. Zo was Harry, bescheiden, belangstellend en precies”, zo is te lezen op de website van de club.