De betaalgrens van Europa

Taaltip voor de mediterrane zomervakantie: hoe zeg ik in het Grieks, Portugees en Spaans: „Graag een schaaltje olijven, een fles wijn en een portie huisgemaakte subprime -crisis?”

Het is pijnlijk voor het Europese ego om te erkennen, maar wat zich ontrolt in het eurogebied is de Europese variant op de Amerikaanse subprime-crisis van 2008. In de Verenigde Staten ging het om de onverantwoorde verstrekking van leningen aan mensen zonder geregeld inkomen of vaste baan (de ninja’s), in euroland om de onbekommerde financiering van overheidstekorten aan landen die niet tot terugbetaling in staat blijken te zijn.

Verantwoordelijken in beide gevallen: de toezichthouders, de kredietbeoordelaars en de financiële instellingen – banken, pensioenfondsen – die een hoger rendement wilden maken.

Andere parallel: de markt heeft gefaald in de beprijzing van de kredietrisico’s, de banken moeten worden gered en de belastingbetalers draaien voor het ruimen van het puin op.

Verschil: in 2008 konden Europeanen het Amerikaanse cowboykapitalisme aanwijzen als de schuldige en ging het om securitisatie van slechte hypotheken. De eurocrisis van 2010 speelt zich af op de obligatiemarkten voor landen en hiervoor is het Europese bureaucratisch-politieke model verantwoordelijk.

Het Stabiliteitspact dat ontsporing van de overheidsfinanciën had moeten voorkomen, werd in 2005 eendrachtig door de Duitse en Franse regering buiten werking gesteld. De opstellers van de Economische en Monetaire Unie voorzagen niet dat in een muntunie van soevereine landen niet zozeer het landenrisico (het ‘excessieve tekort’ uit het Verdrag van Maastricht) de achilleshiel zou zijn, maar de kwetsbaarheid van financiële instellingen die deze tekorten financieren. Bovendien werkt één euromarkt de besmetting van landen in de hand.

De no bail out -clausule van het verdrag betekent namelijk niet dat banken failliet mogen gaan. Griekenland is niet te groot om om te vallen, de financiële instellingen die de Griekse begrotingstekorten over de top hebben gefinancierd, zijn dat wel.

En zo werd het Griekse probleem plotseling een Europees probleem. Waarbij Duitsland en Nederland niet langer konden zeggen (vrij naar de Amerikaanse minister van Financiën John Conolly uit de jaren 70): de D-Mark en de gulden zijn onze munt en jullie probleem. De Griekse euro is ook de Duitse en de Nederlandse euro.

Nog een taaltip voor de eurozomervakantie. Hoe zeg je: „Ik heb nog oude drachmes, pesetas en escudos in een schoenendoos. Wanneer mag ik daarmee weer betalen?”

Roel Janssen