De beesten in ons midden

De zaterdagavond heeft voor de onstuimige jongeling veel te bieden, van verkleedavonden waar je niet binnenkomt zonder glitterjumpsuit en een opgezette fret op je hoofd tot mysterieuze clubnachten met thema’s als ‘Michael Jackson en het pointillisme’.

Maar de laatste tijd vier ik mijn zaterdagavonden het liefst in een huiskamer. Met vrienden, wijn en kaasknabbels. En een spelletje. Jawel: een spelletje. Ouderwetse gezelligheid waar geen feestgedruis tegenop kan.

Het spel dat mij zo in de greep heeft, heet Weerwolven. Er is een kaartspel van, maar als je de ingrediënten kent kan het ook gespeeld worden met zelfgemaakte kaarten van gescheurde stukjes papier. Het idee is dat iedereen in de groep door middel van de kaartjes – die je aan niemand laat zien – wordt ingedeeld als burger of weerwolf. Aan het begin van elke ronde is het nacht, en de spelleider verzoekt iedereen zijn ogen dicht te doen. Om de spanning van een met weerwolven geïnfiltreerde samenleving na te bootsen, zijn immer de lichten uit en de kaarsen aan, en is het zo stil dat je je buren kan horen ademen. Terwijl ieders ogen nog steeds zijn gesloten, openen de weerwolven hun ogen. (O, de opwinding om als weerwolf je ogen te openen en je medeweerwolf te zoeken, waar je direct een intense band mee voelt, zoals alleen lichtelijk aangeschoten mythische wezens dat kunnen hebben.) Geluidloos wijzen de weerwolven een slachtoffer aan.

De spelleider roept hierna iedereen op te ontwaken en vertelt wie van de spelers jammerlijk ten prooi is gevallen aan de beesten in ons midden. Vervolgens moeten de burgers bedenken wie de weerwolven zijn. Dit is een van de mooiste gedeelten van het spel: dit gebeurt door louter redevoering. Daarom beginnen de beschuldigingen meestal met een lukraak: „Sjoerd, ik vind dat jij bijzonder verdacht die kaasknabbel pakt. Slangachtig, als je ’t mij vraagt.” Vervolgens ontspint zich een hevige discussie, waarin argumenten als: „Tijdens de nacht ademde jij met vreemde pufjes” en „Alleen mensen die iets te verbergen hebben zouden nu hun neus snuiten. Jammer, erg jammer”, valide toevoegingen zijn. Door middel van snode aantijgingen, sluiks de aandacht op een ander vestigen, verontwaardigd verweer en tactisch wc-bezoek probeer je zo lang mogelijk in het spel te blijven, waar altijd de ijzeren wet geldt: je uit een beschuldiging proberen te praten maakt je uitermate verdacht.

En zo komt het dat ik mezelf regelmatig om zeven uur ’s ochtends terugvind, te midden van een halfslapende groep mensen, terwijl ik naar iemand wijs en enigszins onsamenhangend roep dat hij de slechtste mens op aarde is en nog de linkernier van zijn oma zou verkopen als hij de kans zou krijgen, en zeker, zeker, zéker een bloeddorstige weerwolf is, en dat ik me heus niet laat vermurwen door het luttele feit dat hij mijn beste vriend is.

Zoals ik al zei: ouderwetse gezelligheid.

Renske de Greef