Campagne in Nederland: eerst een aanwijzen idol

Ik wou in april niet meteen de alarmklok luiden, en trouwe PvdA-kiezers de schrik op het lijf jagen.

Maar ik schrok wel. Cohen presenteerde zich op televisie voor de eerste keer als officieel gekozen leider – en wie had hij meegenomen? Z’n campagneleider.

De Partij had zich toen al bijna in slaap getriomfeerd. In één klap van twaalf zetels naar dertig! Ze gunden zich geen tijd meer voor een fatsoenlijk verkiezingsprogramma. Moest er nog wel een campagneleider? Straks zouden ze met zestig man (die rek zat er in) nog één coalitiepartnertje hoeven zoeken. D66? Of anders weer Rouvoet, omdat die zo te gek sociaal voelend was gebleken. De verkiezingen van 9 juni zouden automatisch leiden tot de feestdag van de 10de. En dan hadden we drie weken later, eind juni, een nieuwe regering – eindelijk het Tweede Kabinet Den Uyl als het ware.

Ik dacht dat ik door de grond ging. Naast het aanstaande feestvarken verscheen in die eerste televisie-uitzending in april degene die hem door de rimboe van Balkenende, Rutte, Halsema en Pechtold moest loodsen: zijn campagneleider. Ze bleek Lilianne Ploumen te heten.

Mijn god. Iedereen weet hoe het meestal afloopt als de sociaal-democraten in de winning mood zijn. Dan stonden ze torenhoog in de peiling, en Ed van Thijn handelde strategisch de formatie met Van Agt af. Of ze zouden de oogst van Paars binnenhalen, en stuurden Melkert met z’n chagrijnigste hoofd naar de vrolijke nicht Fortuyn. Of het leek nóg eens te lukken en iemand verzon De Wouter-tapes. En ten slotte verdiende Job alleen op z’n naam al bijna de overwinning, en ze voegden Lilianne Ploumen aan hem toe. Het laatste wat die tegen hem moet hebben gezegd toen hij voor z’n debuut stond,was: ‘Gedraag je als een burgemeester’.

Meteen fout. Hoe noemden we de oude Drees? Wethouder van Nederland. Gedenkwaardige mannen als Boekman, Miranda of Wibaut, die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat tot over hun enkels in het bluswater stonden om de cultuur, de volkshuisvesting en de stad Amsterdam te dienen: allemaal SDAP, allemaal wethouders. Jan Schaefer was de laatste in de geschiedenis. Ik zie nu telkens een puber die vorig jaar geloof ik uit geestdrift op en neer naar de milieutop van Kopenhagen liep, maar die niet blijkt te kunnen rekenen: een zekere Diederik Samsom. Hij is lid van het campagneteam.

Hoe mis moet het dus wel gaan?

Ik begon weer enigszins te twijfelen toen ik afgelopen dagen de vertoningen van RTL Nieuws had gezien en vooral de eerste, tweede of derde nabeschouwing (tel kwijt) waarin een jury optrad – alsof uit de vier premierskandidaten iemand moest worden gekozen die in een nieuwe, commerciële regie van Gysbreght van Aemstel de beste Vosmeer de Spie zou zijn. Daar zaten als gezworenen Dick Berlijn, de maarschalk Rommel van Uruzgan, Marco Pastors, de Janmaat van Rotterdam, en Huub Stapel, de Eduard Verkade van de 21ste eeuw. Allemaal met het gezicht van Willem Nijholt, en allemaal unaniem in hun oordeel dat Cohen ‘door het ijs was gezakt’. Ja, wat moesten ze anders? Dat is nu het idee reçue van de verkiezingen van 2010 geworden, en je staat voor aap als je hardop durft te zeggen dat het deze keer wel meeviel, en dat hij tenminste eerlijk zegt dat hij iets ‘niet bij de hand heeft’, terwijl Balkenende glashard staat te draaien en te liegen.

Wie weet heeft Cohen in april onmiddellijk met zichzelf afgesproken dat hij alle adviezen van Lilianne (schattige roomse naam toch) Ploumen naast zich neer zou leggen en z’n eigen, eigenwijze gang zou gaan.

Maar dat zegt natuurlijk nog niks. Hij is tenslotte leider van een partij die het begrip overwinningsnederlaag heeft uitgevonden. En die niet kan tellen.