Boerkaverbod is symbolische wet

Elke woensdag wordt een filosofisch dilemma besproken naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de symboliek van het Franse boerkaverbod.

Aan het einde van de achttiende eeuw werd in Spanje de hoed met de brede rand verboden. Daarachter kon de drager zijn gezicht gemakkelijk verbergen en daar maakten bandieten handig gebruik van. Brede randen mochten alleen als ze stevig aan de bol van de hoed waren vastgenaaid. We hebben er de Sombrero de tres picos uit het muziekstuk van Manuel de Falla aan te danken, en misschien ook wel de puntige steek van Napoleon.

Met de wet op gelaatsbedekkende kleding die de Franse regering de afgelopen week heeft aangenomen, is er dus niet zoveel nieuws onder de zon. Gemaskerde lieden beloven meestal weinig goeds, en daarom bevatten veel Nederlandse gemeenteverordeningen al sinds jaar en dag bepalingen daartegen. Wie denkt aan de bivakmuts van de gemiddelde relschopper kan zich daarbij wel wat voorstellen.

Maar dat was niet de voornaamste zorg van de Franse wetgever. Net als in België (waar een soortgelijk verbod in voorbereiding is) vormen de boerka’s en niqaabs de ware steen des aanstoots. Daarbij is minder hun criminele potentie in het geding dan de belemmering die ze vormen in het verkeer tussen de burgers. ‘Burgerschap gaat samen met een ontbloot gelaat,’ verklaarde president Sarkozy, naar het schijnt volkomen ernstig.

Had hij het daar maar bij gelaten. Dan was de wet misschien net zo overbodig gebleven als in Nederland en zou de staat zich hebben beperkt tot zijn legitieme zeggingsmacht. Maar in werkelijkheid komt hij uit heel andere sentimenten voort. De islamofobie die er op heel wat moslimse internetsites aan wordt toegeschreven, speelt daarbij hoogstens een ondergeschikte rol. Belangrijker is de strijd om de bevrijding van al die vrouwen die, zoals Sarkozy al eerder verklaard had, opgesloten worden gehouden ‘in een gevangenis van stof’. Ware dat zo, dan zou er inderdaad werk aan de winkel geweest zijn. Maar ook dan had de rechterlijke macht met een beetje vindingrijkheid in de bestaande wetten ongetwijfeld al instrumenten genoeg gehad.

Niet alleen om die reden is het boerkaverbod voornamelijk een symbolische wet. Boerka’s – zo wist de correspondent van deze krant te melden – worden in Frankrijk niet gedragen. Niqaabs door zo’n 1900 vrouwen, ‘meestal bekeerde autochtonen’. Vreemd is dat niet. Bekeerlingen hebben wel vaker de neiging een beetje te overdrijven.

Maar waar is die wet dan een symbool voor? Openlijk voor de regels van omgang en verschijning die wij er in het openbare leven op na houden. Maar onderhuids minstens zozeer voor wat de westerse wereld in de afgelopen decennia als de juiste verhouding tussen mannen en vrouwen is gaan beschouwen. Daaraan voldoen moslims niet: dat weet iedereen. En al helemaal niet het boerkadragende deel onder hen. Of liever gezegd: het deel dat een ánder een boerka laat dragen.

Want er is nog iets vreemds aan die wet. Terwijl overtreding ervan de draagster op een boete van 150 euro of een werkstraf komt te staan, moet degene die een ander tot het dragen dwingt rekenen op 15.000 euro of een jaar gevangenis. Daarmee is deze wet waarschijnlijk de enige die een medeplichtige honderd keer zo zwaar bestraft als de dader – misschien met uitzondering van het verbod op hulp bij zelfdoding.

Je kunt je de motivatie daarvan wel voorstellen. De dader (de boerkadragende vrouw) is in werkelijkheid het slachtoffer. De ware schuldige is haar man, die haar in haar gevangenis dwingt. Dat is de stilzwijgende veronderstelling die uit deze wet spreekt. Als het waar is dat de meeste niqaabdraagsters autochtone Françaises zijn, kun je je afvragen hoe realistisch dat beeld is.

Veel belangrijker dan de dubbele stereotypie die hieruit spreekt (over moslims in het algemeen en de mannen in het bijzonder) is echter de vraag of de wet zich wel met dit soort overwegingen moet inlaten. Dat dwang, ook binnen het huwelijk, te allen tijde onaanvaardbaar is en dat het recht daartegen moet optreden, lijkt me buiten kijf te staan. Maar dat is iets anders dan de normalisering die de Franse staat door middel van deze wet lijkt te willen bewerkstelligen.

In dat opzicht is het boerkaverbod nog op een andere manier symbolisch. De staat begint daarin met zijn spierballen te rollen. Hij laat zien dat hij er heel specifieke ideeën op na houdt over hoe mensen onderling hun relaties moeten vormgeven, en bereid is met almaar verder gaande aandrang zijn onderdanen daartoe te dwingen. Niet alleen heeft de Franse republiek het grondbeginsel van de liberté als eerste op haar schild verheven. Ze begint haar burgers ook almaar strikter voor te schrijven hoe ze die vrijheid dienen in te vullen – om te beginnen in de persoonlijke verhoudingen tussen man en vrouw.

De Russisch-Britse denker Isaiah Berlin heeft dat ooit het ideaal van de ‘positieve vrijheid’ genoemd. Daarbij is er altijd sprake van een hogere instantie (een staat, een kerk, een partij, een ideologische beweging) die precies weet wat goed is voor de mensen en pas zal rusten wanneer hun leven dienovereenkomstig is ingericht. Dan immers zijn zij pas werkelijk ‘vrij’. Zolang dat nog niet het geval is, dwalen zij in een onwetendheid die het hun onmogelijk maakt hun ‘ware behoeften’ te onderkennen – en kunnen zij dus maar beter onder de curatele blijven van wie het beter weten.

Berlin was niet erg dol op dit soort vrijheid, dat van de Franse Revolutie tot op de huidige dag veel onheil heeft veroorzaakt. Staten konden zich maar beter richten naar het ideaal van de ‘negatieve vrijheid’, meende hij: het recht van burgers om zoveel mogelijk gevrijwaard te blijven van overheidsinmenging, vooral waar het hun persoonlijk leven betreft. De staat is er om ervoor te zorgen dat de vrijheid voldoende ruimte heeft om zich te ontplooien, maar niet om die ruimte vervolgens tot in details zelf te gaan bestieren.

Tussen die twee vormen van vrijheid heeft het sinds de Franse Revolutie nooit erg geboterd. Hoe ver mag de staat gaan in zijn bemoeienis met de burger, hoe terughoudend moet hij zijn? In de praktijk heeft hij altijd tussen die twee moeten schipperen. Want een minimale nachtwakersstaat, waarin alleen de veiligheid en de afdwingbaarheid van contracten van hogerhand werden gegarandeerd, heeft in werkelijkheid nooit bestaan.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog zijn staat en maatschappij steeds meer met elkaar verweven geraakt. Hoe belangrijk de vrijheid van de burger ook is, het is te gemakkelijk te zeggen dat hij het zonder enige overheidsbemoeienis helemaal zelf moet uitzoeken en van zijn kant niet gehouden is aan bepaalde gedragsregels. Maar inmiddels lijkt de staat een grens te hebben overschreden. In plaats van een bewaker van de openbare zeden te zijn, is hij ook zedenmeester geworden in het persoonlijke leven van de burger. Steeds verder strekt hij zijn macht uit, al moet hij zich daarbij nog wel formeel houden aan grondwettelijke beperkingen.

Vandaar de enigszins slinkse formulering van het boerkaverbod, dat vooral niet mag lijken wat het is. Om de formele gelijkheid tussen burgers te bewaren wordt er angstvallig gesproken over ‘gezichtsbedekkende kleding’. Waardoor er vervolgens weer een uitzondering moet worden gemaakt voor slecht weer (de bivakmuts) en feestelijke omstandigheden – want voor je het weet ben je mèt de boerka ook het carnavalsmasker kwijt. Het is alsof daarin alsnog het kwade geweten opspeelt van een staat die eigenlijk wel weet tot andere zaken geroepen te zijn.