Na het debat

‘Ik schrijf RTL een brief dat ze bij het volgende verkiezingsdebat jou samen met Wouter Bos in het forum zetten”, beloofde ik zondagavond mijn vrouw, „dan is de PvdA daar ook eens in vertegenwoordigd.”

„Lach er maar mee”, zei ze.

Ze zat nog na te smeulen van verontwaardiging. RTL had het gepresteerd een commentariërend panel te formeren, bestaande uit twee Cohen-haters (Marco Pastors en Huub Stapel), een ex-generaal die voor de VVD graag minister van Defensie wil worden (Dick Berlijn) en een meisje van GroenLinks dat liever Femke Halsema als premier ziet (Naïma Azough).

„Je moet er ook de humor van kunnen inzien”, troostte ik, „de afloop was toch hilarisch?”

Ik doelde op de verbijstering die ontstond toen bleek dat Cohen het helemaal niet zo slecht had gedaan als de commentatoren geanalyseerd hadden.

De kijkers lieten hem afgetekend winnen van door de wol geverfde politici als Balkenende en de zogenaamd onoverwinnelijke Wilders. De beteuterdheid was groot.

Presentator Rick Nieman vroeg haastig een ‘doublecheck’ aan. Helaas, het bleek te kloppen: Cohen was tweede geworden achter Rutte.

„Cohen is door het ijs gezakt”, zei Wilders nog kort tevoren. Maar wie nu al wekenlang door het ijs zakt, is Wilders zelf: met dalende peilingen, met kandidaten op zijn lijst die niet deugen, met Hero Brinkman die hij er niet onder kan krijgen en met zijn anti-PvdA-mantra die zo sleets is geraakt dat je steeds meer het gevoel krijgt dat hij Archie Bunker uit All in the family imiteert (voor de jongere lezers: een Amerikaanse tv-serie in de jaren zeventig over een lachwekkend rechtse mopperkont).

„Toch moet Cohen beter kunnen”, zei ik tegen mijn vrouw. „Hij is nog te weinig zelfverzekerd.”

„Hij heeft ook te weinig tijd gehad om zich goed in te werken. Die achterstand in dossierkennis is niet meer in te halen.”

„Maar hij is ook nog te beleefd, hij denkt nog te veel dat hij het met flegma en aardigheid kan redden. In zo’n debat moet je niet steeds zeggen: U heeft gelijk, maar…”

„Maar dat maakt hem juist sympathiek. Misschien won hij ook daarom wel van Balkenende en Wilders.”

„Verkiezingen zijn oorlog”, zei ik. „Je moet de ander op zijn zwakste plekken raken. Ik heb Cohen nog niet tegen Rutte en Balkenende horen zeggen: U sluit Wilders niet uit? Dan is een stem op u een stem op Wilders. En tegen Rutte: wordt Nederland weer neoliberaal met privatiseringen en knoeiende bankiers en alles wat daarbij hoort?”

Ze zuchtte. „Het is allemaal makkelijker gezegd dan gedaan. Cohen staat er bijna alleen voor, de media, van de Volkskrant en Het Parool tot De Telegraaf, proberen hem af te branden.”

„Vergeet ook je eigen partij niet. Paul Scheffer begon Cohen al af te zagen voor de campagne begonnen was en deze week ook Rick van der Ploeg en Willem Vermeend weer: nooit écht loyaal. Fris partijtje.”

Ze zuchtte nog eens. „Er kan in twee weken nog veel gebeuren.”

„Reken nergens meer op, ik houd het op Rutte.”

„De tetteraar?” Zo noemt ze hem al een poosje. „Hij luistert nooit en praat altijd door iedereen heen, vréselijk irritant mannetje.”

Toen zei ze met een bijna vals lachje: „Jij voorspelde toch ook dat Ajax kampioen van Nederland werd?”