Hoezo, premiersdebat?

Vier lijsttrekkers kruisten zondagavond de degens in een ‘premiersdebat’. Maar helaas: we kiezen op 9 juni slechts een nieuwe Kamer, schrijven Hans Engels en Meine Henk Klijnsma.

Zondagavond zond RTL 4 live het zogenoemde premiersdebat uit. De kennelijke kandidaat-premiers Cohen, Balkenende, Rutte en Wilders kruisten de degens met elkaar. Er wordt klaarblijkelijk van uitgegaan dat de grootste partij vanzelfsprekend de premier levert, maar dat is niet zo. Op 9 juni kiezen we niet de premier, maar de Tweede Kamer. Dat één van de vier bovengenoemden premier wordt, is weliswaar heel goed denkbaar, maar u heeft daar als kiezer in ieder geval geen invloed op. Dat is onwenselijk in een democratie.

Ons staatsrecht kent helaas geen gekozen premier. Sterker nog: van de vier lijsttrekkers die, vermomd als kandidaat-premier, zondag voor de RTL4-camera’s debatteerden, wijzen de partijen PvdA, CDA en VVD het D66-idee van de gekozen minister-president al jarenlang af.

Intussen beroepen de leiders van diezelfde partijen zich wel erg gemakkelijk op de door henzelf uitgevonden spelregel dat de grootste fractie na de verkiezingen de premier levert. In het verleden kwam het echter regelmatig voor dat de premier uit een kleinere partij werd gerekruteerd.

Laten we eens op een rij zetten hoe het nu feitelijk zat met de partijpolitieke achtergrond van onze premiers. Tussen de beide wereldoorlogen kende Nederland tien kabinetten die alle door de confessionele partijen werden gedomineerd. De grootste partij, de RKSP, leverde echter slechts drie keer de minister-president: Ruys de Beerenbrouck. Zeven keer kwam de minister-president uit een van de kleinere confessionele partijen: Colijn (ARP: de derde partij van het land) en De Geer (CHU: de vierde partij in grootte).

Van 1946 tot 1981 hadden we veertien kabinetten. Acht keer kwam de minister-president uit de grootste partij, vier keer uit de tweede in grootte, twee keer uit de vierde in grootte. In twee van die gevallen was de minister-president weliswaar geen lid van de grootste partij, maar wel van de grootste partij in de coalitie: Beel in 1958 en Van Agt in 1977. Opmerkelijk zijn ook de eerste twee kabinetten-Drees (in 1948 en 1951). Zijn partij, de PvdA, was toen kleiner dan coalitiegenoot KVP. De KVP liet echter het premierschap aan hem, zelfs ondanks het grote verlies van de PvdA bij de verkiezingen van 1948.

Nog opmerkelijker zijn de premierschappen van Zijlstra en Biesheuvel. Hun partij, de ARP, was in grootte slechts de vierde partij van het land, in de coalitie de derde.

Uit dit beknopte overzicht blijkt hoe grillig het beeld is. Meermalen werd een politicus uit een kleinere partij premier, soms was het de tweede (verliezende) partij. Opvallend is ook hoe de polarisatie tussen de grootste partijen op personen geprojecteerd werd: Romme-Drees, Den Uyl-Van Agt, Lubbers-Kok, Balkenende-Bos. Nog opvallender is dat deze tegenstrevers door de logica van het coalitiesysteem vaak worden gedwongen na de verkiezingen toch samen te werken in één kabinet.

De huidige leiders van PvdA en CDA stellen opnieuw alles in het werk om de verkiezingen te reduceren een tweekamp. Het gevaar van de zoveelste Romme-Drees-formatie ligt dan ook op de loer. Verlenging van de stilstand van de afgelopen vier jaar zal het gevolg zijn.

Echt anders is nu dat ook andere partijen hun premierkandidaten naar voren schuiven. Wilders en Rutte zien zichzelf als zodanig en ook Femke Halsema beschouwt zichzelf als premierkandidaat. Pechtold wil als politiek leider in de Kamer blijven, terwijl binnen en buiten D66 Wijers en Rinnooy Kan als premierkandidaten worden aangemerkt.

Mede als gevolg van de ontwikkelingen in Europa is de Nederlandse minister-president al lang niet meer de eerste onder zijns gelijken. Hij is onze regeringsleider geworden. En al vele jaren is er bij burgers, politieke partijen en media de behoefte om het politieke bedrijf te personaliseren. Naast politieke programma’s gaat het om vertrouwen in personen. Daar is niets mis mee, zeker in een tijd waarin er behoefte is aan een nieuw en beter leiderschap. Maar het is misleidend om bij gebrek aan een echte verkiezing van de minister-president dan maar de verkiezingen voor de Tweede Kamer te versimpelen tot een strijd tussen de leiders van de grootste partijen om het premierschap. Dat is schadelijk voor het vertrouwen in de democratie. Wees dan consequent en voer in wat D66 al sinds haar oprichting bepleit: verkiezingen met twee stemmen: één voor de macht (de minister-president) en één voor de controle op de macht (de Tweede Kamer). Dan pas kan de kiezer gewoon de beste premier kiezen.

Meine Henk Klijnsma is historicus en D66-kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen. Hans Engels is hoogleraar staatsrecht en lid van de Eerste Kamer voor D66.

Meer over de verkiezingen op nrc.nl/binnenland