De EU durft banken niet aan te pakken

De redding van de Spaanse bank CajaSur herinnert eraan dat veel banken insolvent zijn en dat politici de banken van hun eigen land sparen. Dat is fataal, schrijft Nicolas Véron

Dat de Europese Unie in haar voortbestaan wordt bedreigd, is het gevolg van drie problemen tegelijk. Meest opvallend is dat de politieke leiders van de eurozone niet bij machte zijn geweest de financiële laksheid van verscheidene lidstaten aan te pakken. Het tweede probleem draait om concurrentie. Zeepbellen in de vastgoedsector en een mild internationaal klimaat hebben de ongezonde toestand verhuld van landen waar nu pijnlijke structurele hervormingen nodig zijn. Het derde probleem, het bestrijden van de zwakheid van de Europese banken, vormt de kern van de dramatische politieke ontwikkelingen sinds begin mei.

Angst voor besmetting is de belangrijkste reden waarom de eurolanden en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zich garant hebben gesteld voor de schuldenlast van Griekenland, zonder rechtstreeks tot schuldherschikking over te gaan. Banken in het bezit van veel riskante Griekse kredieten hadden insolvent kunnen worden, waardoor er schokgolven door de bankwereld zouden gaan, net als in september 2008 gebeurde door Lehman Brothers. Vooral het feit dat de interbancaire markten aan het eind van de eerste week van mei begonnen te haperen, heeft de leiders van de eurolanden en de Europese Centrale Bank genoodzaakt de paniek in de bankwereld te bestrijden door met hun gigantische vangnet van 500 miljard euro te komen, plus nog eens de helft daarbovenop van het IMF.

Al minstens sinds de Lehman Brothers-affaire is het Europese bancaire systeem uiterst kwetsbaar. De overheidssteun die daarop volgde, had als kwalijk neveneffect dat de zwakkere banken werden aangemoedigd om overmatig te investeren in kredieten met een hoog rendement, zoals de Griekse. Als de banken met een sterkere financiële positie 2010 waren ingegaan, hadden de beleidsmakers andere mogelijkheden kunnen overwegen, waaronder de schuldherschikking van Griekenland, die er uiteindelijk misschien toch moet komen en waarvan de kosten beperkt zouden zijn gebleven als ze in een vroeger stadium was uitgevoerd. De recente redding van de CajaSur spaarbank door de Spaanse centrale bank herinnert eraan dat op dit moment verscheidene banken insolvent zijn.

Om het duidelijker te stellen: sommige Europese banken hebben een sterke financiële positie, maar het systeem is niet sterker dan de zwakste schakels en we weten niet precies welke dat zijn. De afgelopen bankencrisis heeft duidelijk gemaakt dat ze alleen kunnen worden opgespoord via een schiftingsproces waarbij banken met gebrek aan kapitaal publiekelijk worden opgespoord en vervolgens worden geherstructureerd of door de overheid worden gesloten als de markt ze niet van het benodigde kapitaal kan voorzien.

Een jaar geleden heeft de VS al zijn grote banken openlijk aan een stresstest onderworpen, met als gevolg een golf van herkapitalisaties via de markt, hetgeen nu als een groot beleidssucces wordt gezien. Helaas heeft de EU nog niets vergelijkbaars gedaan, om een aantal redenen. De politieke leiders van onder meer Frankrijk en Duitsland zijn gebonden aan de belangen van de banken in hun land en zijn tot alles bereid om die te laten overleven. Bedrieglijk genoeg sloegen diezelfde leiders tegelijkertijd dreigende taal uit aan het adres van de financiële markten, waardoor het des te moeilijker wordt om de kiezers uit te leggen hoe het bancaire systeem weer gezond kan worden gemaakt. Ondertussen zijn de nationale toezichthouders niet bereid om de volledige omvang van hun falen in het afgelopen decennium te erkennen. Bovendien vrezen nationale ambtenaren dat ‘kampioenen’ in het bankwezen overnamedoelen voor ‘vreemdelingen’ uit andere Europese landen worden zodra hun droeve financiële staat wordt geopenbaard. Mede om deze reden dient de noodzakelijke herstructurering op supranationaal niveau te worden gerealiseerd.

Maar als gevolg van de bestaande verdragen hebben de EU-instellingen volstrekt geen capaciteit om de Europese gemeenschap tegen deze speciale belangen te verdedigen. Dit ondanks de inspanningen van de Europese Centrale Bank, die geen toezichthoudende verplichtingen heeft en ondanks het mededingingsbeleid van de Europese Commissie, die slechts tegen individuele gevallen van ongeoorloofde staatssteun kan optreden, maar niet beschikt over een algemeen bestuursmandaat. Barack Obama merkte vorig jaar schrander op dat „politieke interactie in Europa niet veel verschilt van die van de Amerikaanse Senaat (…), ieder heeft zijn eigen specifieke problemen en zijn eigen specifieke politiek”. Helaas kan alleen door gecentraliseerd optreden het banksysteem worden gesaneerd. De diplomatieke wijze van de EU-besluitvorming heeft bewezen niet in staat te zijn om voldoende harde keuzes te maken.

De EU moet snel schoon schip kunnen maken met haar financiële instellingen om bestand te zijn tegen ernstige wanbetaling en om bovendien de weg te bereiden voor geloofwaardig toezicht op EU-niveau. Dat kan niet worden bereikt zonder een geïntegreerde markt.

Hervorming van het bankwezen is net zo dringend geworden als fiscale aanpassing, en zowel belangrijk voor stabiliteit als verbetering van het groeipotentieel van Europa als voor het vaststellen van het fiscale beleidskader van de eurozone. Als het niet lukt om een omvattende bankherstructurering in de EU te realiseren vóór het verstrijken van de nieuwe driejarige termijn van stabilisatie van de eurozone, kunnen de gevolgen rampzalig zijn. De klok tikt.

Nicolas Véron is onderzoeker bij Bruegel in Brussel, en gastonderzoeker bij het Peterson Instituut voor Internationale Economie in Washington.