Aan aandacht ten onder in 'Lollipop'

Toneel Festival aan de Werf: Miek Uittenhout; Lollipop, Roos van Geffen; Adem, James Beckett Zaklady na Zycie. Gezien: 24/5. festivalaandewerf.nl ***

Roerloos staat ze daar, in haar roze petticoat, uitgestald – opgediend – onder een glazen stolp. Een barbie in plastic verpakking. Vuurrode nagels, dito schoenen, een onbewogen gelaat. Een glad, transparant masker maakt haar ogen holler, haar lippen voller. Actrice Lotte Verbeek speelt in Lollipop een vrouw die publiek eigendom is: die opklimt en neerstort in het licht van de schijnwerpers. Triomf wordt vernedering, onder onze genadeloze blik.

Theatermaker Miek Uittenhout creëerde voor Lollipop een verbluffend toneelbeeld: statig verrijst Verbeek in haar roze wolk van tule in een metershoge glazen kooi. Een draaischijf toont haar van alle kanten aan het gretige publiek. Eerst laaft de vrouw zich aan die aandacht, seksualiseert zichzelf met uitnodigende poses en opgewonden kreetjes. Ze perfectioneert haar publieke imago.

Maar gaandeweg maakt de niet-aflatende aandacht haar gek – de klaterende televisielach wordt schril. Haar lichaam laat zich niet meer dwingen in het keurslijf van pasjes en poses, spieren en gewrichten verzetten zich schokkend, een rondedansje met vaste routine verwordt tot een verbeten freakshow. Uittenhout toont overtuigend dit Britney Spears-effect: de publiekslieveling die paria wordt, de media die maken en breken. Ja, de vrouw heeft de aandacht zelf opgezocht. Ze heeft ervan geprofiteerd en genoten. Maar de prijs is hoog: nu zijn haar zwakste, meest genante momenten verworden tot publiek vermaak.

Het effect van media op mensenlevens is een terugkerend thema op deze editie van Festival aan de Werf. We kunnen alles van elkaar zien en voortdurend met elkaar in contact staan, maar hoezeer verbindt dat ons nu echt? Dries Verhoeven onderzoekt dat in Life Streaming door de bezoekers via internet rechtstreeks te koppelen aan inwoners van een Aziatisch land. Amir Reza Koohestani toont in Where were you on january 8th? de mensen achter de opstand in Iran waar de hele wereld via YouTube en Twitter getuige van was. En Roos van Geffen abstraheert het thema in Adem tot een choreografie van gezichtsuitdrukkingen en non-verbale communicatie.

In een tergende voorstelling die veel geduld vraagt van de toeschouwer, onderzoekt Van Geffen met vijf acteurs hoe mensen onderling contact maken. De vijf staan verspreid in een kale fabrieksloods en tonen universele uitingen van emoties: huilen, lachen, krijsen. Soms is hun uitdrukking herkenbaar en aanstekelijk, een vragende blik, een bemoedigend knikje, ongewild reageer je er als toeschouwer onmiddellijk op. Maar dan weer vervreemdt hun expressie: lijkt een snik opeens een lach of verwordt een glimlach tot grimas.

Ons non-verbale gedrag verenigt net zozeer als dat het verdeelt, lijkt Van Geffen te zeggen. Geen al te opzienbarend inzicht, maar daar is het in deze fysieke voorstelling ook minder om te doen. Ervaren is belangrijker dan begrijpen, en de ervaring hier is heftig: hoe de acteurs geluid uitstoten met behulp van hun hele lichaam, steeds sneller en luider, eerst naar het orgastische neigend, dan uitmondend in een reeks dierlijke kreten. De neiging er afstand van te nemen is groot, maar tegelijk voelt het dichtbij, herkenbaar, menselijk – het publiek werd er gisteren zichtbaar ongemakkelijk van.

Bij de nieuwe voorstelling van James Beckett, Zaklady na Zycie, is het publiek een heel andere, afstandelijker rol toebedeeld. Betrok hij vorig jaar de kijker nog actief in Blinds, een verraderlijk spel met spanning en verwachting, nu zijn we simpelweg getuige van een reis terug in de tijd, naar het Poolse industriële verleden. Die heeft Beckett fraai vormgegeven met een doolhofachtig decor. De smalle gangetjes met dunne houten wandjes vormen een museum voor overblijfselen uit Poolse fabrieken: documenten, artefacten. De theatermaker verzamelde de objecten in industriële ruïnes en nog werkende fabrieken in Polen.

In het eerste deel van de voorstelling zit een acteur in een kale, kantoorachtige ruimte aan een tafel. Hij vertelt in het Pools over de leiding van een fictieve vroegere fabriek, over het huisvestingsprogramma voor de arbeiders en het initiatief tot een fabrieks-brassband. Even later wandelt het publiek langs de tentoongestelde waar en mag het plaatsnemen in een belendend ‘kantoor’, waar twee actrices, secretaresses, zich bezighouden met een reeks nutteloze repetitieve handelingen. Maar waarom we zien wat we zien wordt nergens duidelijk. Is het een commentaar op het communisme? Waarom Polen? Waarom nu? Beckett laat erg veel vragen onbeantwoord. Daardoor blijft de afstand tussen publiek en handeling te groot.

In Lollipop is het omgekeerde het geval: hier is het publiek het onderwerp, wij doen exact wat Miek Uittenhout ter sprake brengt: we kijken, volgen elke beweging, nooit wenden we onze ogen af. In de Paardenkathedraal kunnen we zelfs nippend aan champagne andermans ellende aanschouwen. En ellende is het: wanhoop neemt de actrice steeds meer in beslag, haar sexy maniertjes kunnen haar niet redden – uiteindelijk volgt de ultieme publieke vernedering.

Een kanttekening bij Lollipop is dat de voorstelling deels drijft op dat wat Uittenhout bekritiseert: estheticisme, uiterlijk vertoon. Schoonheid kan de vrouw niet redden en het feit dat ze bekeken en bewonderd wordt betekent zelfs haar ondergang. Maar o, wat vormt Verbeek in haar glazen paleis een prachtig plaatje.