Voltooide gedichten?

Op 16 oktober 1990 werd ik gebeld door redacteur Oscar Timmers van uitgeverij De Bezige Bij. Het was de zesde verjaardag van mijn dochtertje en ik zat midden in een kinderfeestje. Of ik de Verzamelde gedichten van Hans Faverey wilde gaan verzorgen. Ik slikte even, want dit voelde als een koninklijke onderscheiding. Daarna zei ik dat ik hem terug zou bellen. De goochelaar die we voor het feestje ingehuurd hadden was onverstoorbaar doorgegaan, en de kinderen hadden de telefoon niet eens gehoord. Toch was mij op dat moment een bijzonder voorstel gedaan. Hans Faverey, die op 8 juli van dat jaar overleden was, beschouw ik als een van de grote dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw.

De volgende dag belde ik terug en natuurlijk had ik besloten de uitnodiging aan te nemen. Faverey had alleen nog maar losse dichtbundels gepubliceerd, negen in totaal. Een bundeling daarvan zou echt iets moois betekenen voor de Nederlandse literatuur. Enige weken later ben ik begonnen. De opdracht was: een betrouwbare uitgave maken van alle gedichten die tot dan toe verschenen waren in bundels of los in tijdschriften. Ik ontdekte dat Faverey ongelooflijk veel versies van een gedicht schreef vóórdat hij besloot het te publiceren. Hij schrapte, veranderde, voegde toe, maar was een gedicht eenmaal gepubliceerd, dan liet hij het verder vrijwel geheel met rust.

Ik had in 1990 de opdracht alleen gepubliceerde gedichten te verzamelen. Maar ik zag al snel dat er nog een flinke voorraad ongepubliceerde, maar wel voltooide gedichten tussen de papieren zat. Daarnaast waren er vele vellen met versies van éénzelfde gedicht. Sommige gedichten lieten hem duidelijk niet los en toch leek hij er nooit helemaal tevreden over te worden. Op een getypte versie van het gedicht ‘Rotslandschap met scheepstakelage’, geschreven bij een ets van Hercules Segers, staat in een groot en emotioneel handschrift neergekwakt: 3 jaar aan bezig: nooit kom ik uit deze ets.

Op 5 februari 1993 was de presentatie van de Verzamelde gedichten. Bij veel wijn en veel hapjes kwamen Oscar Timmers en ik te spreken over wat er nog moest gebeuren. Een studie van de verschillende versies, dacht ik. Maar dat zou een gigantisch werk zijn, alleen door een heel team onderzoekers uit te voeren. Voor dat soort onderzoek bestaat er een speciaal bureau, het Huygens Instituut, waar tientallen onderzoekers zich buigen over de verschillen tussen de drukken van Willem Frederik Hermans, over de juiste versie van de gedichten van Willem Kloos en over de samenhang van Middelnederlandse Lancelotromans. Daar zou een onderzoek naar de varianten bij Faverey niet misstaan. Maar eerst, zo meende ik, zouden al die voltooide maar ongepubliceerde gedichten van hem maar eens uitgegeven moeten worden. Oscar Timmers pakte een servet van de stapel naast de gehaktballetjes en schreef daarop een contract voor de uitgave. Dat servetje bleef door mijn gedachten spoken sinds 1993. Andere zaken kregen voorrang. Maar het servetje lag er, en dat hinderde me.

Dit jaar besloot ik dat het servetje lang genoeg had gezwegen. Hans Faverey is nu twintig jaar dood. De bundel Verzamelde gedichten is uitverkocht, dus zou het mooi zijn een nieuwe druk daarvan te maken, met een toegevoegd gedeelte Nagelaten gedichten. Ik huurde voor zes weken een appartement in Triëst . Daar woont Faverey’s vrouw, en daar zijn ook de handschriften. Zij had al eerder een kleine selectie uit de nalatenschap uitgegeven en die zou ik nu aanvullen volgens wetenschappelijke criteria. Tegen het werk zag ik niet op. Ik heb flink wat ervaring met het editeren van handschriften, ik heb er een studieboek over geschreven. Gewoon de overgeleverde manuscripten op een grote tafel leggen dacht ik, ze nummeren, samenhang uitzoeken. Vaststellen welke al gepubliceerd werden, welke onvoltooide kladversies zijn, en welke af zijn maar om een of andere reden niet naar buiten zijn gekomen. Die laatste categorie, daar ging het me om. Maar ter plekke ondergedompeld in de handschriften bleek de praktijk heel wat ingewikkelder dan de theorie. Want hoe stel je nu eigenlijk vast of een gedicht voltooid is? Als je vijf verschillende versies van een gedicht aantreft, hoe weet je dan welke je moet kiezen? Hoe kom je achter de chronologie van de ongepubliceerden?

Heel naïef dacht ik dat het tamelijk eenvoudig zou zijn vast te stellen wat de laatste versie was waaraan de dichter gewerkt had. Dat een gedicht voltooid is als er geen open plekken in een regel zijn en als er duidelijk woorden doorgestreept zijn en vervangen door andere. De dichter J.H. Leopold, bijvoorbeeld, had in veel onafgewerkte gedichten op een bepaalde plaats ruimte gelaten voor enige woorden, maar die stonden er nog niet. Of hij had een paar keuzemogelijkheden in de marge gezet, maar de keuze nog niet gemaakt. Dat zijn dus onvoltooiden. Tamelijk eenvoudig dus.

Maar zo zit het niet bij Hans Faverey. Ik trof in Triëst ongeveer drieduizend typoscripten en manuscripten aan, grotendeels getypt op de oude tikratelaars die de meeste lezers nog wel zullen kennen. Ik hoor het geluid nog als ik zo’n tiksel zie. Soms waren de originelen verdwenen en had ik alleen carbondoorslagen, ook al een verdwenen fenomeen. Op het tiksel staan vaak correcties in handschrift. Onder die drieduizend papieren zat nogal wat kopij, zoals die opgestuurd was naar uitgevers en tijdschriften. De afwijzingsbrieven lagen ertussen, want vooral in de beginperiode begrepen de meeste letterkundigen nog niets van Faverey’s conceptuele poëzie.

Drieduizend manuscripten, hoe krijg je daar vat op? Ik bladerde stapels getikte kladversies door. De dichter begon een gedicht, was er niet tevreden over, draaide het papier een stukje door, begon opnieuw, weer ontevreden, draaide het papier op zijn kop en begon weer. Daarna aan de achterkant verder. Vaak kwam ik van zo’n kladversie dan uiteindelijk een uitgewerkte versie tegen, niet gepubliceerd. Maar dan, tussen andere stapels, weer een nieuwe voltooide versie, afwijkend van de eerdere. Anders, niet beter, niet slechter, en toch voltooid. Vaak is bij Faverey niet uit te maken of het eigenlijk om een nieuw gedicht gaat of om een nieuwe versie. Soms schrijft Faverey in verschillende sessies het anekdotische uit een gedicht tot hij een volledig geabstraheerde versie heeft. Ik trof drie aangrijpende gedichten over een zelfmoord van een kennis aan, die hij in de Verzamelde gedichten gecomprimeerd heeft tot één afstandelijk gedicht. Wat daarmee te doen? Zijn dit onvoltooide eerdere versies van het gedicht ‘Zich het hoofd van de romp’, of zijn het zelfstandige, voltooide, ongepubliceerde gedichten?

Het grote probleem is: wat is nu eigenlijk voltooid? De auteur zelf kan ik niet raadplegen. Bovendien houdt een editeur geen rekening met de auteurswil: dan zou Kafka’s werk niet gepubliceerd zijn, dan zouden er nooit brievenedities verschijnen. Ik heb gewikt en gewogen, en weeg en wik nog steeds. Over ongeveer tweehonderd van de 464 ongepubliceerde gedichten ben ik nu vrij zeker dat ze als voltooid kunnen gelden. Vandaag althans. Al mijn kennis van de editietheorie zakt echter in het niet bij een onvoltooid gedicht dat ik ook aantrof en niet in de nalatenschapseditie op ga nemen:

De opdracht aan de poëzie

is zelfbewustzijn, trots

en waardigheid

aan de taal terug te geven.