Vatbaarheid voor infectieziekten is deels genetisch bepaald

Vier veelvoorkomende varianten in genen maken mensen extra vatbaar voor infectieziekten. Onderzoekers uit Oxford en Singapore ontdekten dit na onderzoek onder ruim 8.000 personen uit Gambia, Kenia, Malawi, Hongkong en Vietnam. Patiënten met malaria, tuberculose of bloedvergiftiging hadden de risicoverhogende veranderingen in hun DNA vaker dan gezonde mensen uit dezelfde landen. (New England Journal of Medicine, online 19 mei).

Infectieziekten komen het meest voor bij mensen die ondervoed zijn of in slechte hygiënische omstandigheden leven. Toch spelen ook genen een rol, want de ene mens is duidelijk vatbaarder dan de andere. Het ligt voor de hand om genetische verschillen te zoeken in genen die coderen voor afweereiwitten. Zo’n gen is CISH. Het eiwit reguleert de activiteit van interleukine-2 dat essentieel is voor een goede reactie van het immuunsysteem op binnengedrongen ziekteverwekkers.

De onderzoekers gingen daarom na of dragers van varianten (single nucleotide polymorphismen of SNP’s) in CISH eerder ziek worden van bacteriële of parasitaire infecties. SNP’s zijn plaatsen in het DNA waar een base bij relatief veel mensen door een andere is vervangen. Het is niet een zeldzame, direct ziekmakende mutatie. Een SNP beïnvloedt wel kansen op ziekte.

De onderzoekers namen bloed af bij tientallen patiënten met bloedvergiftiging (waarbij bacteriën in de bloedbaan zijn binnengedrongen) die in een Keniaanse kliniek waren opgenomen. Hetzelfde deden ze bij gezonde mensen uit de omgeving die qua leeftijd en geslacht overeenkwamen met de onderzochte patiënten. Daarbij vonden ze een vijftal SNP’s, waar bij de patiënten vaker een andere base in het CISH-gen was ingebouwd dan bij de controlepersonen.

Bij uitbreiding van het onderzoek naar andere landen en ziekten kwamen steeds dezelfde SNP’s naar voren. Dragers van een van die SNP’s hebben al 18 procent meer kans hebben om een van die ziekten op te lopen dan niet-dragers. Huup Dassen