Snauwende Russen en slaafse knechten

Buitenlanders in Rusland verbazen zich soms over het ‘commandogedrag’ van hun Russische vrienden. „Het is een erfenis uit de Sovjettijd.”

Onlangs zat ik in een restaurant in Moskou met een Russische vriendin, een moderne vrouw van begin veertig met een goede baan. We hadden blini’s besteld, omdat ze me wilde leren hoe je deze typische Russische pannenkoeken moet eten. De wijnkaart was bedroevend. Er stonden alleen een paar flessen matige Bordeaux van meer dan honderd euro op. „Wat zullen we dan drinken?” vroeg ik.

„Jonge man!” brieste mijn anders zo beheerste vriendin nu tegen de bejaarde ober, die me in zijn slome slaafsheid deed denken aan de knecht Zachar, de anti-held uit een klassieke Russische roman. „Waarom staat er op deze kaart geen enkele betaalbare wijn?”

„We hebben ook huiswijn, mevrouw”, bekende Zachar. „Maar die is niet te drinken. Eerlijk gezegd zijn we geen restaurant waar je wijn drinkt. Wij zijn meer een wodka-restaurant.”

„Brengt u dan onmiddellijk honderd gram honingwodka”, commandeerde mijn vriendin. „En we willen ook nog iets anders eten dan blini’s. Wat heeft u allemaal?” Ze nam nu de menukaart met Zachar door en vroeg alsmaar ‘Wat is dit? Wat is dat?’, om vervolgens het ene gerecht na het andere af te schieten.

Als staatsburger van een land dat het gelijkheidsprincipe tot het absurde heeft doorgevoerd, durfde ik niet te protesteren tegen deze agressieve behandeling van het bedienend personeel. Het zou me een dierbare vriendschap kunnen kosten. Tenslotte was het niet de eerste keer dat ik dit commandogedrag bij mijn Russische vrienden meemaakte.

Vooral zij die in de Sovjet-Unie zijn opgegroeid, neigen ertoe hun landgenoten bestraffend toe te spreken als er iets is wat hun niet zint. Maar of je nu terecht wordt gewezen door een bejaarde dame als je oversteekt op een plek waar dat eigenlijk niet mag, of door een politieagent wordt afgesnauwd omdat je hem de weg vraagt en hij die niet weet, als niet-Rus schrik je er toch iedere keer van.

„Het is een erfenis van het communisme, toen iedereen gelijk moest zijn en afwijkend gedrag niet werd getolereerd”, zei een paar dagen later Vitali, een 48-jarige pianist die wekelijks een bevriende zangeres begeleidt. „Toen werd je op straat gecorrigeerd als je ’s winters geen bontmuts droeg. Of je kreeg een standje van leden van de Komsomol, de communistische jongerenbeweging, als je haar te lang of je broek vies was. De jongere generatie doet dat niet meer, die is veel te individualistisch. Maar de mijne kan er nog altijd wat van.” Even later trok hij zich met die zangeres terug voor een repetitie en gaf hij haar er genadeloos van langs bij iedere verkeerd geïnterpreteerde noot.

Het Russische commandogedrag is ook geliefd in bestuurskringen. Daar lijkt iedereen zich nauwgezet te houden aan de ongeschreven regels van de machtsstructuur van Vladimir Poetin. Iedereen die een treetje hoger in de hiërarchie staat mag volgens dat systeem naar beneden trappen en zal niet nalaten dat altijd te doen. Niet uit kwade wil, maar omdat het de heersende etiquette in die kringen is.

Zo vertelde onlangs een vriendin dat haar zoon met haar ex-man, een hoge staatsambtenaar, mee op dienstreis mocht. Bij terugkeer vertelde hij haar zich dood te hebben geschaamd voor zijn anders zo rustige en vriendelijke vader, omdat die zijn ondergeschikten als een landheer afblafte.

En dat gedrag laat zich weer verklaren doordat veel leidinggevende Russen ondanks de overgang van communisme naar kapitalisme niet goed weten hoe ze met hun personeel moeten omgaan. Niet voor niets werken veel jonge, goed opgeleide Russen liever voor een westers dan voor een Russisch bedrijf. Ze verdienen dan weliswaar minder, maar worden door hun meerderen niet als lijfeigenen behandelt.

In werkverhoudingen lijkt Rusland soms nog altijd een land van heren en slaven. Kijk maar naar premier Poetin, als die op televisie voor de zoveelste keer een minister ervan langs geeft alsof hij een schooljongen is. En die minister nog net niet als een oude Javaan op zijn knieën ligt om vergiffenis te vragen. Voor iets wat hij overigens niet gedaan heeft.