Snaarduizelingen

Marcel Vonk Snaartheorie, Veen Magazines, 232 pagina’s, € 42,50.

De snaartheorie komt voort uit grenzeloze ambitie. Snaarfysici willen de héle kosmos beschrijven: van het grootste zwarte gat tot het kleinste elementaire deeltje.

‘Snaartheorie’ is óók een verwarrende naam. ‘Theorie’ suggereert een uitgewerkt model voor de waargenomen kosmos, maar de snaartheorie is nog een lappendeken of, anders gezegd, een schildersdoek vol witte, oningevulde plekken.

De snaartheorie kan bovendien niet worden getoetst – een andere vereiste voor wetenschappelijke theorieën. Dat komt niet alleen doordat de trillende elastiekjes (‘snaren’) waarop de kosmos gebouwd zou zijn, onwaarneembaar klein zijn. Zeker zo lastig is dat de theorie in zijn huidige vorm minstens 10500 oplossingen kan geven. Of en hoe fysici daartussen een correcte beschrijving van de kosmos zullen vinden?

De in Portugal werkzame Nederlandse snaarfysicus Marcel Vonk laat zich er niet door uit het veld slaan. Monter voert hij zijn lezers langs de moderne natuurkunde en schetst hij hoe de snaartheorie zich ontwikkelde nadat in 1968 de Italiaanse fysicus Gabriele Veneziano voor het eerst het bestaan van snaren had geopperd (destijds om er de sterke kernkracht mee te beschrijven).

Vonk doet denken aan een bevlogen, ouderwetse docent die zijn leerlingen met botaniseertrommels langs de paden stuurt. Alleen vult hij de trommels van zijn lezers niet met planten, maar met heterotische snaren, duale NS5-branen, geladen D1-branen en type-IIB-theorieën. ‘Mogelijk duizelt het de lezer na deze opsomming’, schrijft hij opgewekt, om daarna geduldig weer orde in de chaos te scheppen. Want Vonk houdt knap de grote lijnen vast, zonder al te oppervlakkig te zijn.

Onderweg stapt hij soms wel wat makkelijk over details heen. Zo noemt hij (p. 112) de dragerdeeltjes van de kernkrachten voor het gemak massaloos (wat ze niet zijn). En opmerkelijk genoeg noemt hij zijn promotor Robbert Dijkgraaf en de ‘snaartweeling’ Erik en Herman Verlinde nergens; toch de grootste snaarfysici van Nederland.

Maar echt jammer is dat deze geduldige docent zijn lezers na de lange tocht langs Calabi-Yau-variëteiten, de M-theorie, Reids Fantasy, kosmische landschappen en ‘moerassen’ zomaar achterlaat in de getaltheorie en andere wiskunde. ‘De quantumzwaartekracht (het verenigen van het kleinste en het grootste, red.) is geen doel meer, maar is een middel geworden’, schrijft hij terloops. En zo blijkt de snaartheorie ineens een wiskundige gereedschapskist: vooral nuttig bij het oplossen van allerlei wis- en misschien natuurkundige problemen.

Gelooft Vonk zelf wel dat er ooit een beschrijving van de kosmos uit deze kist rolt, vraagt de lezer zich af.