Ruwe boksheld en vader met een piepstem

Theater The Golden Boy van Clifford Odets door Antigone. Gezien 11/5 Brakke Grond, Amsterdam. T/m 29/5 in Haarlem, Rotterdam, Den Haag. Inl: antigone.be. ***

Rocky, Raging Bull, Requiem voor een zwaargewicht, Ali, Million Dollar Baby; de bokssport is geknipt voor drama: eenvoudige jongen klimt op tot sportheld, omringd door kleurrijke maffiosi, en betaalt de hoge prijs. Het toneelstuk The Golden Boy (1937) van Clifford Odets, verfilmd in 1939, bewerkt tot musical in 1964 en nu opgevoerd door het Vlaamse Theater Antigone, volgt alle regels van het boksdrama, met één onwaarschijnlijke variatie: het bokswonder Joe Bonaparte speelt ook zo mooi viool, en moet kiezen tussen sport en kunst.

De Amerikaanse communistische toneelschrijver Clifford Odets (1906-1961) was een toneelheld in de jaren dertig, dankzij Waiting for Lefty, een opruiend stuk over taxichauffeurs, en Awake and Sing!, over een grote Joodse familie. Tijdens de heksenjacht op linkse artiesten in de jaren vijftig collaboreerde hij met The House Committee on Un-American Activities; een daad waar hij nooit meer overheen kwam. Nu is Odets bijna vergeten, al leeft hij voort als filmpersonage: zijn leven als scriptschrijver in Hollywood stond model voor Barton Fink.

Regisseur Sarah Moeremans heeft iets met sentimentele, verjaarde B-stukken. Naast de viool krijgen we ook nog rivaliteit tussen vaderfiguren, ongelukkige liefde voor een hoertje met een gouden hart, de roem die de bokser naar het hoofd stijgt; dat alles nadrukkelijk voor ons uitgespeld, met de duiding erbij.

Het is ook wel weer lekker, zo’n vet drama. Bovendien gebruikt Moeremans het drama om te experimenteren met spelvormen. Ze laat de rollen niet als ruwe volkstypes spelen. Alleen Stefaan Degand als bokspromotor Roxy mag bullebakken. De andere spelen juist zacht en licht. Zelfs de maffioso, gespeeld door de lange, bleke Rick Paul Van Mulligen, is een feminiene, slangachtige jongen. De homoseksualiteit die Odets in die rol laat doorschemeren, haalt Van Mulligen flink naar boven. De dominante vader, die zijn zoon tevergeefs terug wil brengen op het violenpad, wordt indrukwekkend gespeeld door Louis van der Waal, een kleine man met een rood baardje en een geestige hoge stem.

Dat aangezet lievige spel, in contrast met de gespierde straattaal – door Joachim Robbrecht vertaald naar volks Vlaams – heeft niet alleen een ironiserend effect, maar maakt de rollen ook extra indringend. De maffioso is enger als hij lief praat en de vader is tragischer als hij praat met een kalme piepstem. Tussen al die bonte types mag Joris Smit, als de boksheld, als enige naturel, psychologisch ingekleurd spelen. Voluit, met gebroken handen.