Raad voor Rechtspraak mag kritischer op zichzelf zijn

Het interview met de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, Erik van den Emster (Opinie & Debat, 15 mei), geeft reden tot zorg. Niet om wat hij beweert [ook rechters zijn niet onfeilbaar], maar om wat hij nalaat uit te leggen. Met het zinnetje: ”Maar ik kan het echt geen ernstig verwijtbare fout van de rechter vinden!” over de zaak Lucia de Berk toont Van den Emster zich meer de woordvoerder van de belangen van een beroepsgroep dan een bestuurder van de rechterlijke macht. De wijze waarop door de rechters deskundigheid wordt ingeschakeld en beoordeeld hoort toch ook tot de competentie van de rechterlijke macht? Hij ontwijkt de achterliggende vraag: is de wijze waarop de rechterlijke macht in ons strafrechtsysteem tot waarheidsvinding komt, nog wel voldoende valide om op het vertrouwen van de burger te mogen rekenen?

- Zijn de juristen in staat wiskundige redeneringen zoals in de zaak-De Berk te beoordelen?

- Heeft de rechter-commissaris voldoende zicht op de wijze waarop bewijsmateriaal wordt vergaard?

- Hoe zit het met de specifieke deskundigheden als beoordeling van forensische pathologische en toxicologische kennis?

- In hoeverre wordt in de Raadskamer vooringenomenheid van Raadsheren jegens verdachten intercollegiaal bekritiseerd?

- Kun je een functionaris die voor het leven is benoemd, met een overwegend juridische achtergrond, die bovendien autonoom is in zijn oordeelsvorming, wel voldoende her- en bijscholen?

- Hoe zit het met de werkbelasting van rechtbanken?

- Hoe is de opbouw in de ervaring bij de meervoudige kamers en hoe zit dat bij de enkelvoudige kamers?

- Hoe werken kwaliteitssystemen?

- Wat gebeurt er met zwaardere delicten die worden geseponeerd en geen enkele rechtbank bereiken?

Dit is maar een greep uit de vragen die bij een verontruste burger opkomen. Het is zorgwekkend en aanmatigend dat de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak geen begin van een kritische reflectie geeft op de werking van ons strafrechtsysteem. Duidt deze vooringenomenheid op een collectieve blinde vlek?