Operatie Improvisatie

Het Afghaanse leger moet volgend jaar zijn eigen land verdedigen. Zijn ze daar klaar voor? Op voetpatrouille met Afghaanse militairen. „Laten we er professioneel uitzien op de foto.”

Zeven Afghaanse soldaten staan in een rommelig rijtje. Giechelig. Hun commandant, de 28-jarige sergeant Nasrullah, inspecteert de mannen die hij geselecteerd heeft voor de patrouille in Chora, een district in Uruzgan dat zich uitstrekt aan de voet van de heuvel. Hij trekt een uniform recht, maakt een scherfvest beter vast. Hij controleert of de soldaten de kogelwerende platen in hun vest hebben gedaan, die ze liever niet dragen omdat ze zo zwaar zijn. De helmen gaan op omdat het moet van de commandant. Terwijl Nasrullah inspecteert, stopt een andere militair flesjes water in de broekzakken van de soldaten.

Nasrullah, een rustige jongeman met een ernstige oogopslag, houdt zijn handen op. Grinnikend leveren de soldaten hun mobiele telefoons bij hem in, wetend dat de toestellen verboden zijn op patrouille. Een geïnfiltreerde opstandeling zou er een bermbom mee kunnen laten afgaan.

Hier staat Afghanistans hoop op een veilige toekomst. In legerbasis Mirwais in Chora zijn zo’n honderd Afghaanse militairen gelegerd. Zij wonen en werken er met ongeveer 25 Australische militairen. De Australiërs moeten de Afghanen opleiden tot zij Chora zelf tegen de Talibaan kunnen beschermen.

President Hamid Karzai krijgt genoeg van de buitenlandse troepenmacht en wil dat eigen leger en politie binnen vijf jaar voor de veiligheid in Afghanistan zorgen. Westerse regeringen zien in hun landen de steun voor de oorlog afkalven. Opgejaagd door een ongeduldige Democratische achterban kondigde de Amerikaanse president Obama in december aan dat hij volgend jaar juli wil beginnen met terugtrekken van zijn militairen. Hij heeft van het opleiden van het Afghaanse leger zijn hoogste prioriteit gemaakt.

Het tempo waarin dat gebeurt, gaat steeds verder omhoog. In november moet de NAVO-missie ISAF – momenteel 102.500 man sterk – de eerste provincies overdragen aan de Afghaanse veiligheidsdiensten. Welke dat zijn hangt af van waar tegen die tijd de veiligheidssituatie het beste is.

Valstrik

Mirwais ligt tussen een bergrug en het vlakke, vruchtbare deel van Chora. De wachttorens bieden uitzicht over het dorp Ali Shirzai en de weg naar de Baluchi-vallei. De Talibaan zijn daar heer en meester.

De Australische militairen hebben hun best gedaan om het gezellig te maken: ze houden kippen en een puppy. Er is een volleybalveldje in het zand. Na het werk verruilen ze hun uniform voor vrijetijdskleding en slippers. In de keuken hangt een televisie die staat afgesteld op programma’s over roofdieren in de Australische wildernis. Op de toiletten liggen mannenbladen. Vrouwen zijn er niet.

Afghanen en Australiërs slapen, eten en wassen zich gescheiden, maar ze kennen elkaar allemaal. Ze behandelen elkaar met het respect van militair tot militair, vaak zelfs vriendschappelijk, met grapjes en schouderklopjes over en weer. Hier kan het gebeuren dat een Afghaanse aannemer die een put op het terrein slaat, een Australiër begroet met „G’day mate”. Al zal altijd duidelijk blijven wie de meerdere is. Als de Afghanen vragen of de Australiërs een potje komen volleyballen, zeggen die: alleen als jullie eerst je best doen bij de medische training.

Nasrullah leidt vandaag de voetpatrouille naar de woestijn achter een akkerlandgebied en het dorpje Qalirahga. Tijdens een vorige patrouille, zes dagen eerder, had een dorpsbewoner gemeld dat de Talibaan daar wapens en munitie hebben verstopt in een grot. In de tussentijd hadden de opstandelingen die wapens allang weer kunnen weghalen, maar eerder inspecteren was niet mogelijk, zegt de Australische sergeant-majoor Damian. „Je kunt er niet zomaar op af, omdat je niet weet of het een valstrik is. Het gebied moest eerst worden bestudeerd met onbemande verkenningsvliegtuigjes.”

Damian is een van de Australische militairen die de Afghanen begeleiden op de patrouille. Nasrullah heeft de leiding, maar de Australische begeleiders moeten ingrijpen als het niet goed gaat. Voor Nasrullah is dit een van de eerste keren dat hij een patrouille aanvoert. Afghaanse militairen worden na hun opleiding onmiddellijk in het diepe gegooid. Niet alleen omdat ze op die manier het snelste leren, het is ook bittere noodzaak wegens het grote personeelstekort binnen het Afghaanse leger.

Snel nadat de groep van een man of vijftien de basis heeft verlaten gaan de Afghaanse helmen af. Niemand die er iets van zegt. Nasrullah stuurt de patrouille tussen de lage lemen huizen door het dorp uit. De tocht gaat dwars door tarwevelden, amandelboomgaarden, riviertjes en irrigatiekanalen. Paden worden vermeden uit angst voor bermbommen. Er gaat weinig vanzelf: er wordt niet gewacht tot de verkenners de overkant van een rivier gecontroleerd hebben. De soldaten moeten er steeds aan worden herinnerd dat ze zich strategisch moeten verspreiden, in plaats van op een kluitje te lopen. Wapens bungelen achteloos in een hand.

De Afghanen vormen geen eenheid die door jarenlang samenwerken op elkaar ingespeeld is, zoals dat in westerse legers gaat. Er zijn soldaten bij die de opleiding pas een paar weken geleden hebben afgerond. En soldaten die bijna aan het einde van hun driejarige contract zijn. „De commandant wijst lukraak mensen aan”, verklaart Damian. Bovendien kunnen ze niet altijd met elkaar praten. De meesten komen uit het noorden van het land en spreken Dari. Anderen spreken alleen Pashtu, de taal die overwegend in het zuiden en oosten wordt gebruikt.

Nasrullah is voortdurend aan het instrueren en bijsturen. Hij kijkt zelf vaak vragend naar Jason, zijn Australische mentor. Bijvoorbeeld als het dorp Qalirahga bereikt is. Achter een dijkje dat het dorp scheidt van de akkers, legt Jason zachtjes uit hoe dat moet: een dorp binnengaan. Dan springt Nasrullah op het dijkje, helemaal de leider. Hij recht zijn rug en spreidt zijn armen: „Jullie gaan naar links, jullie gaan naar rechts en jullie blijven achter”, wijst hij naar zijn manschappen. „Nee! Jij moet naar dat huis rechts! En daar blijven!”

Onderofficier

Nasrullah mag onzeker ogen, er klinkt gezag in zijn stem. Aan talentvolle onderofficieren als hij heeft het leger het grootste gebrek. Veteranen met hoge rangen uit voorbije oorlogen zijn er genoeg in Afghanistan. Net als analfabete, werkloze jongens die soldaat kunnen worden. Mensen als Nasrullah worden met veel aandacht gecoacht.

Ook in de woestijn achter het dorp heeft Nasrullah hulp nodig. Bijvoorbeeld als de patrouille stuit op een vervallen lemen bouwseltje. Het is te laag om in te staan. „Typisch een schuilplaats voor de Talibaan”, moppert de Afghaans-Amerikaanse tolk Wahid, die alle gesprekken tussen Nasrullah en Jason moet vertalen. Hij steekt zijn hoofd door de deuropening en roept: „Als jullie niet naar buiten komen, komen wij naar binnen!” Niemand.

Als de Australiërs willen doorlopen naar de grot, wijzen twee Afghaanse soldaten op een hoopje stenen dat door mensenhanden tegen het gebouwtje lijkt te zijn gestapeld. Een typische plek voor een bermbom. Gefixeerd op wat de groep in het gebouwtje zou vinden, was ze steeds vlak langs de gestapelde stenen gelopen. Jason stuurt de anderen weg en onderzoekt de plek met een metaaldetector. Het blijkt vals alarm. Als de patrouille verder trekt, is iedereen wel alert op waar hij zijn voeten zet.

De tocht gaat omhoog over smalle bergrichels, tot achterin de woestijn, waar de grot opdoemt als een breed, zwart gat. Inderdaad een geschikte wapenopslagplaats. De grot is onzichtbaar vanaf de weg die over de hogere vlakte erachter loopt. Vanaf hier kunnen Talibaanstrijders onopvallend de dorpen tussen de akkers bereiken, om van daaruit aanvallen uit te voeren op de bestuurders van Chora, de politie en de militairen. Voorzichtig, bedacht op boobytraps, doorzoeken Nasrullah en zijn mannen de grot. Ze kijken onder stenen en in kieren, en vinden alleen een heleboel schapenkeutels en een leeg doosje kruidenpoeder. Geen sporen van gesleep met zware wapens of munitiekisten. Lachend houdt Nasrullah het verweerde doosje omhoog. De grot is eerder een schuilplaats van herders dan van de Talibaan.

Met de borst vooruit poseren de Afghaanse soldaten voor elkaars fototoestellen. Ze beginnen aan de terugweg alsof hun taak er nu op zit, zonder op de omgeving te letten, grappend. Op de heenweg stond hun nieuwsgierigheid naar de vrouwelijke bezoeker het werk niet in de weg. Nu vinden ze het moeilijk om hun ogen ergens anders op te richten. Om de Afghanen bij de les te houden besluiten de Australiërs dat de fotograaf en de verslaggever achteraan de groep moeten blijven. Tevergeefs. Op een gegeven moment is de voorste verkenner de laatste man. Ten einde raad probeert Damian het zo: „Laten we er allemaal professioneel uitzien op de foto’s en onze wapens goed dragen.” Nasrullah geeft de orders en sjort weer wat aan uniformen. Veel levert het niet op.

De Australiërs mopperen onderling in hun radio’s over hun Afghaanse collega’s. Jason pikt het gebrek aan discipline niet langer en beveelt dat de Afghanen de patrouille weer moeten aanvoeren. „We moeten elkaar beschermen, dus jullie moeten ook wat doen”, zegt hij. „Helmen op en gaan!”

In persberichten meldt ISAF vaak trots dat de Afghanen steeds meer de leiding nemen bij operaties, of dat zij als partners samenwerken met de internationale troepenmacht. Maar bij deze tamelijk eenvoudige patrouille, in bekend gebied en zonder confrontaties met de Talibaan, is sprake van een leraar-leerlingverhouding.

Niet alles wat er vanuit westerse ogen misging, is toe te schrijven aan een gebrek aan vaardigheden en discipline. Afghanen en Australiërs denken verschillend over gevaar. Dat blijkt als er even gerust wordt, of een gebied verkend. De Australiërs nemen dan posities in om de omgeving te overzien terwijl ze zelf gedekt zijn. De meeste Afghanen houden gewoon op de plaats rust, als schietschijf in een open veld. Dat maakt een onprofessionele indruk, maar het kan er ook op wijzen dat de Afghanen meer overzicht over de situatie hebben dan hun Australische collega’s.

„Het gebied waar we liepen is redelijk rustig”, zegt de 21-jarige hospik Khoday als de groep na drie uur terug is op de basis. „We kennen het goed. Ik begrijp dat de Australiërs alert zijn, maar wij voelen ons daar veilig. Op plaatsen waar we weten dat we moeten oppassen zijn wij ook alert.” Tijdens de patrouille had Khoday met zijn blote handen een vis uit een riviertje gegrepen, voor het avondeten. Als hij vrij heeft gaat hij daar wel vaker vissen, dan met een net. „Ik neem mijn geweer wel mee hoor, maar er gebeurt nooit iets.”

Het roept de vraag op of het Afghaanse leger zover gedrild moet worden dat het opereert met dezelfde discipline als een westers leger. Met improvisatie behalen de Afghanen vaak dezelfde resultaten als wij, erkennen verschillende Australiërs. Maar het terrein van de patrouille is ook weer niet zo veilig als Khoday deed klinken. Ook daar zitten Talibaan in de dorpen. „Als we op patrouille dezelfde route terugnemen als de heenweg, hebben de Talibaan er altijd iets neergelegd”, zegt Damian. Hij doelt op bermbommen. Bij het Afghaanse leger heerst de gedachte dat ISAF uiteindelijk toch alles voor ze doet, zeggen veel buitenlandse militairen.

Dat de ontwikkeling van het Afghaanse leger achterblijft komt onder andere doordat elk jaar een kwart van de militairen afhaakt. Veel mannen besluiten aan het einde van hun driejarige contract om niet bij te tekenen. De brigade in Uruzgan komt daardoor nu 500 man tekort, bovenop de 400 die AWOL zijn, wat staat voor absent without leave, afwezig zonder toestemming. Dat laatste is een veelbesproken groep omdat de cijfers zo hoog zijn. Eenduidig zijn ze echter niet: behalve deserteurs zijn er ook militairen in opgenomen die om een onschuldige reden afwezig zijn, bijvoorbeeld als ze vertraging oplopen bij hun terugreis na verlof. Hoeveel er daadwerkelijk deserteren is onbekend.

Soldij

Hasimullah (23), Imumi (24), Niamatullah (25) en Ziaullah (21) zijn allemaal familie van elkaar, al vinden ze het te ingewikkeld om uit te leggen wat de banden precies zijn. Ze komen uit Badakhshan in het uiterste noordoosten, dagen reizen vanaf Uruzgan. Alle vier zijn ze bijna aan het einde van hun contract en staan ze voor de keuze of ze bijtekenen. In hun slaapkamer, een donkere ruimte met een kale betonnen vloer en strak opgemaakte stapelbedden, leggen ze uit wat hun overwegingen zijn.

Hasimullah denkt dat hij blijft. Hij heeft zojuist per telefoon gehoord dat hij verloofd is met een veertienjarig meisje. Hun ouders hebben onderling een akkoord bereikt over de voorwaarden. „Ik doe dit werk niet alleen om een baan te hebben, ik voel me ook verplicht aan het land”, legt hij uit. „We krijgen elk half jaar een maand verlof, dat is genoeg.” Hij hoopt wel dat hij niet nog verder van huis geplaatst wordt, want er zijn maar weinig militaire vluchten om tijdens verlof uit het afgelegen Uruzgan weg te komen. De lange reistijd naar het thuisdorp is vaak de voornaamste reden om af te haken.

Ziaullah laat zijn beslissing afhangen van waar hij terechtkomt. „Als ik verder weg gelegerd word, heeft dat wel invloed op mijn besluit.” Niamatullah wacht met kiezen tot het allerlaatste moment. „Dat doen de meesten”, zegt hij. „Iedereen kijkt naar zijn thuissituatie.” Veel militairen zijn bij hun familie net zo hard nodig als in het leger.

Imumi bijvoorbeeld weet zeker dat hij vertrekt: „Mijn broer studeert en mijn ouders zijn zo zwak dat ze nog geen theekopje kunnen optillen.” Imumi’s soldij is het belangrijkste inkomen voor de familie. Verder is er alleen een lapje grond en een ongebruikt winkelpand. „Kijken of ik daar wat van kan maken. We willen in het leger werken, maar uiteindelijk doe je wat je moet doen en ga je naar huis.”

Dit probleem zal blijven bestaan zolang er niet meer jonge Afghanen uit het zuiden dienst nemen. Juist daar waar de strijd het hevigst is, melden zich nauwelijks nieuwe rekruten. Generaal Abdul Hamid, de commandant van de brigade in Uruzgan, probeerde onlangs de mannen van de provincie te overtuigen dat ze zich moesten aansluiten. „Dit is ook jullie land”, zei hij op een volksbijeenkomst in het westelijke district Deh Rawood. „Het is een vernedering dat wij de buitenlandse militairen nodig hebben.” Het leverde enkele tientallen rekruten op. De meeste mannen kunnen de soldij goed gebruiken, maar zijn te bang voor wraakacties van de Talibaan.

Sergeant-majoor Amin, een kettingrokende Oezbeek uit het noorden, is voor niemand bang. „Ik ga ook mee!” roept hij bij het aantreden van een volgende patrouille, wild zwaaiend met een groot geweer. Hij lacht twee witgouden tanden bloot en hapt een sigaret uit zijn pakje. Ditmaal gaat de tocht, weer met een man of vijftien, over de bazaar van Chora. De Afghanen doen alleen mee na lang aandringen door de Australiërs. Ze zagen het nut van een rondje bazaar niet in en zijn onderbemand doordat veel militairen meewerken aan operaties op buitenposten. Er moeten koks mee op patrouille omdat er anders te weinig mensen zijn.

Amin is 24 en heeft razendsnel carrière gemaakt, wat kan door het tekort aan onderofficieren. „Ik heb dezelfde rang”, zegt de Australiër Damian, „alleen heb ik er twintig jaar over gedaan.” Volgens Amins ondergeschikten is hij een goede commandant. Tijdens de patrouille ontstaat een ander beeld: hij blaft zijn mannen af en slaat hen bij het minste of geringste.

De patrouille is bedoeld om de vorderingen van twee bouwprojecten te inspecteren, en om aan de pers te laten zien hoe goed de Afghaanse militairen contact leggen met de bevolking. Amins contact bestaat vooral uit pesterijen. Bijvoorbeeld als hij een jongen van een jaar of negen opdraagt hem een hand te geven. Hij trekt het kind naar zich toe en heft zijn geweer boven het hoofd, alsof hij het jongetje wil slaan. Grijnzend pakt hij zijn petje af. Om het goed te maken geeft hij hem een steen alsof het een snoepje is. De jongen ondergaat het zwijgend.

De andere Afghanen leggen vooral contact met de bewoners door ze te fouilleren. Het gaat rustig en met respect, maar een goede verstandhouding is iets anders. De Australiërs bewegen over de bazaar alsof het een vijandig gebied is: uiterst behoedzaam, mompelend in hun radio’s. Vanuit hun winkeltjes zwijgen de Afghanen terug. Er zijn al maanden meldingen van de inlichtingendiensten dat er een zelfmoordterrorist in de buurt rondhangt.

Amin maakt zich er niet druk om. „Kijk, een bermbom!” kraait hij tegen Damian. „Kijk, een Talib!” Alles is een grap. Amin vindt het een patrouille van niks. „Zullen we met zijn tweeën nog een rondje doen?” vraagt hij na afloop aan Damian. De Australiër bromt onder zijn snor: „Die kerel wordt nog mijn dood.”

Voor meer beelden van Bas Czerwinski zie nrc.nl/weekblad