Onze gifgasgeschiedenis

Nederlandse gifgasexperimenten waren decennialang normaal maar strikt geheim.

Na zestig jaar zwijgen eindelijk opening van zaken. De laatste getuige is twee jaar geleden overleden, maar de archieven hebben de geheimen bewaard.

Vorige week publiceerde het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) de studie ‘De geest in de fles’. De historici Herman Roozenbeek en Jeoffrey van Woensel beschrijven er al het Nederlandse onderzoek aan strijdgassen tussen 1915 en 1997. Tot twee jaar geleden was daarover nauwelijks iets bekend.

De afbakening van het onderzoek is niet lukraak. In 1915 werd voor het eerst chloorgas als strijdmiddel ingezet, in 1997 werd het internationale verdrag tegen de productie van chemische wapens van kracht. Het was de cruciale aanvulling op het Protocol van Genève uit 1925 dat alleen gebruik van gifgassen verbood.

Aanleiding voor het NIMH-onderzoek was de onthulling van Mark Traa in HP/De Tijd, twee jaar geleden, dat Nederland in een samenwerking met Frankrijk en België tussen 1950 en 1966 met grote regelmaat had deelgenomen aan proeven met zenuwgas in de Sahara. Dat gebeurde op een Franse basis in Algerije die B2-Namous werd genoemd. Afgezien van een artikel van Vincent Jauvert in Le Nouvel Observateur (23 oktober 1997) en een enkele vage notitie in gespecialiseerde literatuur zijn de proeven nooit eerder genoemd. Nu komen de historici met foto’s, plattegronden, namen en beschrijvingen.

Kennelijk belast met de opdracht dan maar gelijk de hele Nederlandse gifgasgeschiedenis uit de doeken te doen trekken zij veel ruimte uit voor het werk aan strijdgassen vóór 1940. Dat is fascinerend door het aplomb waarmee Nederland kort na de eerste Wereldoorlog dan ook maar gifgassen gaat produceren omdat dat kennelijk bij de moderne oorlog hoort. ‘Eine höhere form des Tötens’, zoals Nobelprijswinnaar Fritz Haber het noemde. Haber is de vader van de gasoorlog.

Nederland bouwt bij Zaandam met hulp van de louche Duitser Anton Cmentek een proeffabriek voor de productie van mosterdgas, verscheept die later naar Indië en laat een grote partij mosterdgas in de Indische bodem achter als Indië Indonesië wordt. De voorraad is later alsnog vernietigd. Het wordt met veel aandacht voor detail beschreven, maar was in hoofdlijnen al eerder bekend geraakt.

INSEKTICIDEN

Onthullend is ‘De geest in de fles’ als het de ontwikkelingen na de tweede Wereldoorlog beschrijft. Toen de geallieerden in 1945 Duitsland binnentrokken, ontdekten ze dat de Duitsers ongekend giftige vluchtige stoffen hadden geproduceerd die zij namen als tabun, soman en sarin hadden gegeven. Gerhard Schrader en zijn collega’s bij IG Farben deden die ontdekkingen bij een systematische speurtocht naar betere insekticiden. De nieuwe stoffen, die al gauw zenuwgassen werden genoemd, remden de prikkeloverdracht tussen zenuwen door het blokkeren van het essentiële enzym acetylcholinesterase.

De Engelsen en Amerikanen zien onmiddellijk het strategisch belang, weten dat de Russen de stoffen ook in handen hebben gekregen, en besluiten tot een zware researchinspanning. En tot een geheimhouding die ook Nederland treft. Ongeacht het feit dat de Nederlandse chemici en gifgasexperts J. van Ormondt en J.H. de Boer de Engelsen tijdens de oorlog goede diensten hadden bewezen. De ‘redding’ komt van de vermaarde Leidse medicus en latere hoogleraar J.A. Cohen die in 1945 en 1946 verbonden was aan ‘Porton Down’, het Engelse centrum voor onderzoek aan chemische en biologische wapens. Stilletjes gaf Cohen veel geheime informatie door aan Nederland.

VELDPROEVEN

De Brits-Amerikaanse uitsluiting drijft Nederland (en België) voor wat betreft veldproeven met zenuwgas in de armen van de gastvrije Fransen die in 1945 ook zenuwgas in Duitsland hadden ontdekt en erin geslaagd waren dat te analyseren. Zo belanden Nederlandse en Belgische zenuwgasonderzoekers in de Sahara waar de Fransen al in de jaren dertig een terrein voor veldproeven met mosterdgas en fosgeen hadden ingericht. Met belangrijke hiaten nemen ze er tussen 1950 en 1966 actief of passief deel aan de proeven.

De Nederlanders laten zich aanvankelijk leiden door Van Ormondt die in 1948 directeur van het Chemisch Laboratorium van RVO-TNO was geworden. RVO, de Rijks Verdedigings Organisatie, was de defensietak van TNO. Hoewel Nederland al die jaren voornamelijk detectiemiddelen en dergelijke heeft getest hadden Van Ormondt en De Boer aanvankelijk duidelijk belangsteling voor de actieve toepassing van zenuwgassen. De Franse proeven, zoals ze in ‘De geest’ beschreven worden, hadden ook onmiskenbaar een offensief karakter. Bij voorkeur worden granaten verschoten, bommen afgeworpen en mijnen tot ontploffing gebracht terwijl voor puur defensief onderzoek ook sproei-installaties en vernevelingstoestellen hadden kunnen worden gebruikt. Er wordt onderzocht hoeveel gasgranaten er nodig zijn om boven een hectare terrein een dodelijke concentratie zenuwgas aan te brengen. Hoe lang de gassen werkzaam blijven en of je ze kunt ruiken (wat niet de bedoeling is). De gasgranaten worden afgeschoten door geschut dat op hoge torens is geïnstalleerd en schuin naar beneden staat gericht. Zo wordt het laatste deel nagebootst van de ballistische baan van een granaat die van veel grotere afstand is verschoten. Onderzocht wordt op welke hoogte boven het terrein de granaat moet ontploffen om een maximaal effect van het zenuwgas te hebben.

Het wordt de Nederlanders steeds duidelijker dat de Fransen zich voorbereiden op actieve toepassing van zenuwgas als wapen. Ook begrijpen ze dat de Fransen plannen maken om het gas sarin in een proeffabriek te gaan produceren. Uiteindelijk heeft Frankrijk tussen 1965 en 1974 in de proeffabriek ‘Braqueville’ bij Toulouse ook werkelijk tientallen tonnen sarin aangemaakt, zoals de Parijse historicus Olivier Lepick nog deze week bevestigde. Dat is veel voor wie weet in welke minieme dosis sarin dodelijk is, maar niet van militair belang. De Fransen hebben altijd volgehouden dat ze geen industriële productie van sarin hebben gehad. (De Engelsen beschreven hun sarin-fabriek bij Nancekuke in Cornwall ook uitdrukkelijk als een proeffabriek.)

Pas in de loop van de jaren zestig, nadat Nederland ook nog heeft geparticipeerd in veldproeven bij Mourmelon in Noord-Frankrijk, wordt de Nederlandse opstelling ten aanzien van zenuwgasexperimenten expliciet defensief. Zeker als Van Ormondt in 1965 wordt opgevolgd door de chemicus A.J.J. Ooms die belangrijke initiatieven neemt om tot internationale chemische ontwapening te komen.

Het is in het oordeel van Roozenbeek en Van Woensel te laat om te kunnen volhouden dat Nederland altijd alleen maar defensief onderzoek heeft gedaan. De Nederlandse hulp en bijstand aan de offensieve Franse proeven ging daarvoor te ver.