onderzoek kiezersgedrag

Schieten de kiezers alle kanten op? Opiniepeilingen wekken die indruk. Nader onderzoek geeft een ander beeld. De kiezer neigt naar rechts.

Opiniepeilingen over politieke voorkeuren zijn een momentopname, geen glazen bol. Op z’n best geeft een serie peilingen op rij een richting aan waarin de voorkeuren van kiezers zich ontwikkelen. Dan nog kan de uiteindelijke verkiezingsuitslag een verrassing zijn.

Synovate publiceert wekelijks de Politieke Barometer. Een representatieve groep van duizend geënquêteerden beantwoordt de vraag: ‘Waarop zou u stemmen als er nu verkiezingen werden gehouden?’

Wie de opiniepeilingen volgt, krijgt de indruk dat kiezers zich steeds grilliger gedragen. Het percentage ‘ zwevende kiezers’ zou sterk toenemen. Het lijkt alsof ze boven het politieke landschap cirkelen en willekeurig bij partijen neerstrijken, als vogels die van tak naar tak springen.

Klopt deze indruk? Ondermijnt al dit gezweef de stabiliteit van onze democratie? Het is tijd eens met een onbevangen blik naar het electoraat te kijken. Daarvoor hebben we de gegevens gebruikt van de Politieke Barometer uit de afgelopen veertien weken. Hiermee is dit onderzoek gebaseerd op de voorkeuren van 14.000 kiezers. Bovendien hebben we een reeks extra vragen gesteld.

Bij de nadere analyse van het kiezersgedrag maken we onderscheid tussen trouwe kiezers en ‘ontrouwe’ kiezers. Deze laatste groep hebben we ‘flexkiezers’ genoemd. En we introduceren een nieuwe manier om politieke voorkeuren te tonen (het 10-stemmenstelsel). Op deze manier brengen we de onderstromen op de kiezersmarkt scherper in beeld dan bij de reguliere peilingen.

Trouwe kiezers en flexkiezers

Uit de peilingen blijkt dat op 9 juni circa 40 procent van het electoraat op dezelfde partij zal stemmen als in 2006. Dat zijn de trouwe kiezers. Bijna 20 procent heeft nog geen keuze gemaakt, noemt geen enkele voorkeurspartij en weet überhaupt nog niet of hij/zij wel gaat stemmen. Een derde groep, die even groot is als de trouwe kiezers, noemen we de flexkiezers: mensen die aangeven op een andere partij te gaan stemmen dan in 2006.

De groepen trouwe kiezers en flexkiezers zijn even groot. Als we de twijfelaars even buiten beschouwing laten, betekent dit dus dat er zo’n 75 zetels bij dezelfde partij blijven en dat 75 zetels van partij zullen wisselen

Het zal niet verbazen dat het CDA een sterke positie inneemt in de groep van trouwe kiezers. Het CDA scoort hier 23 procent van de stemmen: 6 procentpunt hoger dan de laatste peiling aangeeft als score onder alle kiezers. In nog sterkere mate geldt dit voor de SP: de score van 12 procent onder de trouwe kiezers is twee keer zo hoog als de huidige landelijke score in de peilingen.

Naast de groep trouwe kiezers staat de even grote groep flexkiezers. De cijfers over deze groep zeggen iets over de aantrekkingskracht van partijen: over hun vermogen kiezers weg te trekken bij de partijen waarop zij in 2006 stemden.

Onder de flexkiezers zijn de PVV en D66 veruit de populairste partijen. De positie van het CDA is in deze groep opmerkelijk zwak. Het CDA moet het vrijwel geheel hebben van kiezers die bij de vorige verkiezingen ook al CDA stemden. Van de 26 zetels uit de peiling (week 19) zijn slechts vier zetels afkomstig van mensen die in 2006 op een andere partij stemden.

Voor D66 geldt het omgekeerde: 10 van de 11 zetels zijn afkomstig van kiezers die zich sinds de vorige verkiezingen hebben ‘bekeerd’ tot D66. Van de huidige 17 zetels van het PVV komen er bijna 14 van flexkiezers en bijna 4 van trouwe kiezers.

Als we de achtergronden (man/vrouw, leeftijd, opleiding) van trouwe kiezers en flexkiezers met elkaar vergelijken, zien we weinig verschillen. Mannen zijn iets trouwer aan één partij dan vrouwen. Trouwe kiezers zijn voor 54 procent man en 46 procent vrouw; bij de flexkiezers is de verdeling exact 50/50. Een opvallend verschil in opleidingsniveau is er niet. Flexkiezers zijn iets jonger dan trouwe kiezers: 34 procent van hen is tussen 18 en 35 jaar, tegenover 25 procent onder de trouwe kiezers. Dit valt eenvoudig te verklaren. De neiging een andere keuze te maken, neemt af naarmate iemand ouder wordt.

Bekijken we de stemmotieven, dan zien we veel overeenkomsten tussen trouwe kiezers en flexkiezers. Eén verschil springt er echt uit: van de trouwe kiezers zegt bijna 60 procent vooral uit gewoonte steeds op dezelfde partij te stemmen. Het is niet primair hun overtuiging die mensen trouw maakt, maar eerder een soort gewoonte: het is makkelijk niet steeds opnieuw te hoeven kiezen. Deze kiezer sluit zich af van nieuwe indrukken en tilt niet zwaar aan negatieve aspecten van de eigen partij. Het is een type loyaliteit dat zich laat vergelijken met de aanhang van voetbalclubs.

Het ‘10-stemmenstelsel’

Over kiezersgedrag wordt veel ge-klaagd. De kiezer zou niet meer loyaal zijn en net zo makkelijk van partij switchen als een tv-kijker van zender. Sommigen denken met weemoed terug aan de tijden van verzuiling, waarbij de keuze voor krant, omroep, school en partij min of meer vastlag.

Dit beeld van ontrouwe kiezers wordt versterkt doordat politieke peilingen door het jaar heen grote schommelingen laten zien. Een partij kan dertig zetels scoren, die binnen een half jaar al weer zijn verdampt. Opiniepeilingen lijken als een klachtenlijn te fungeren voor politieke partijen en kwesties. Maar naarmate de verkiezingen dichterbij komen, neemt de beweeglijkheid van de kiezers weer sterk af.

Een groot deel van de bewegingen van kiezers heeft te maken met een ander fenomeen. In het ogenschijnlijk versplinterde politieke landschap zijn wel degelijk duidelijke stromingen te onderscheiden. De belangrijkste zijn de stromingen van de solidariteit, van de vrijheid, een ‘groene’ stroming, een veranderingsgezinde stroming en een proteststroming. Deels kunnen die elkaar overlappen.

Kiezers voelen zich meestal eerst en vooral thuis binnen zo’n stroming. Ze hebben meer dan één partij op het oog die ze binnen zo’n stroming een plek geven. Tussen die twee à drie (en soms wel vier à vijf) partijen maken ze uiteindelijk een keuze. Het minste of geringste kan ervoor zorgen dat ze tot in het stemhokje uiteindelijk voor een andere partij kiezen dan ze een dag eerder nog van plan waren.

Een switch van de PvdA naar D66 is in een opiniepeiling snel gemaakt wanneer D66 zich profileert als succesvol tegenstander van de PVV. Als Cohen het roert overneemt in de PvdA keren die kiezers terug, maar net zo makkelijk kunnen ze weer een andere keuze maken bij een nieuwe ontwikkeling op de kiezersmarkt. Hetzelfde geldt voor de schommelingen tussen de VVD, PVV en Trots. Partijen binnen een stroming zijn communicerende vaten: als de één wint, verliest de ander. De SP en de PVV zijn elkaars concurrenten binnen de proteststroming: anti-establishment, ‘het roer moet om’, ‘zeggen waar het op staat’.

Om de bewegingen binnen de verschillende stromingen in kaart te brengen, hebben we een andere onderzoeksmethode ontwikkeld: het 10-stemmenstelsel. We vragen mensen niet één stem op een partij uit te brengen, maar om tien punten te verdelen over verschillende partijen van hun eventuele voorkeur. Geeft een kiezer alle tien punten aan één partij, dan spreken we van een unieke keuze: concurrentie van andere partijen is er niet of nauwelijks. Krijgt een partij acht stemmen, en twee andere partijen elk één stem, dan weten we dat de eerste partij de voorkeurspartij is en dat er nauwelijks sprake is van concurrentie. Maar is de verhouding bijvoorbeeld 6:4 of 4:3:3, dan weten we dat de partij met de beste score nog lang niet zeker is van de stem van deze kiezer.

Deze methode geeft een beter en stabieler beeld van de politieke krachts- en concurrentieverhoudingen. Met deze meetmethode kunnen we vaststellen hoeveel unieke kiezers een partij heeft en hoe groot de groep is met een voorkeur voor één partij, maar die ook andere partijen overwegen. Samen tellen deze percentages op tot de scores in de Politieke Barometer. Daarnaast kunnen we een theoretisch maximum bepalen: het aantal zetels dat een partij haalt als iedereen die de partij ten minste 1 punt geeft uiteindelijk op die partij stemt.

De staafdiagram van het 10-stemmenstelsel (grafiek hierboven) geeft een verrassende kijk op de politieke krachtsverhoudingen van dit moment. Het onderste gele deel van de staven laat zien hoeveel zetels afkomstig zijn van mensen voor wie een partij de unieke keuze is: de enige partij waarop deze kiezers aangeven te gaan stemmen. Het middelste blauwe deel van de staven toont de scores met de sterke voorkeur: de partij die veruit het beste scoort maar geen unieke positie inneemt. Het groene deel geeft aan dat een partij als tweede of derde keuze is genoemd.

Uit dit onderzoek met de tien stemmen blijkt dat partijen maar voor zeer weinig kiezers de unieke keuze zijn. Gemiddeld genomen halen partijen slechts 20 procent van hun zetels uit deze categorie. In 80 procent van de gevallen moet een partij met één of meer andere partijen strijden om de gunst van de kiezers. De meeste kiezers noemen drie partijen waaruit ze uiteindelijk een keuze maken.

Partijen met relatief veel unieke kiezers zijn de Partij voor de Dieren, de ChristenUnie en de PVV. De PvdD zal altijd dicht in de buurt komen van een zetel. De ChristenUnie haalt 50 procent van zijn zetels uit de groep van unieke kiezers; de theoretische bodem van deze partij ligt rond de drie zetels. De PVV is de enige keuze voor 40 procent van haar aanhang en kent daarmee een bodem van zo’n vijf zetels.

D66 en GroenLinks onderscheiden zich door hun geringe percentages unieke kiezers. Bij de meeste kiezers moeten ze concurreren met twee à drie andere partijen. De cijfers voor D66 laten duidelijk zien welke bijzondere rol deze partij speelt in het politieke landschap. Ruim de helft van alle kiezers voelt sympathie voor D66 en geeft de partij ten minste één punt in het 10-stemmenstelsel. Het theoretische maximum van D66 ligt op dit moment op maar liefst 58 zetels. Maar deze partij weet die aantrekkingskracht slechts in beperkte mate om te zetten in echte Kamerzetels. D66 wordt heel vaak genoemd, vooral wanneer het stil is rondom andere partijen, maar de steun zakt weg zodra andere (grotere) partijen weer van zich doen spreken.

De VVD lijkt de PvdA voorbij

De VVD en de PvdA ontlopen elkaar op dit moment niet veel in de Politieke Barometer. De verkiezingsstrijd kan nog de nodige verschuivingen te zien geven. Intussen valt, op grond van het 10-stemmenstelsel, in te schatten dat de VVD een goede kans heeft op 9 juni groter te worden dan de PvdA. In de categorie tweede en derde keus doet de VVD het beter dan de PvdA.

Het grootste electorale potentieel zit op dit moment dus bij de VVD, zo valt te concluderen op basis van het 10-stemmenstelsel. En er is nog een indicatie. In de peilingen hebben we de kiezers ook gevraagd zichzelf in het delen op de as links-centrum-rechts. Het zwaartepunt blijkt dan rechts van het centrum te liggen.

De VVD lijkt hiermee voorop te liggen in de race. Maar om als eerste te finishen, moet een theoretisch potentieel wél eerst in echte stemmen worden omgezet. En die beslissing nemen de flexkiezers, die de doorslag geven, vaak op het laatste moment – in campagneweken waarin nog het nodige kan veranderen.