'Ik wist niet wat dood was'

De vader van Mei Yü Tan (1945) overleed plotseling in zijn slaap. ‘We moesten naar een pension.’

‘Op een ochtend kwam mijn vader ons niet wakker maken, zoals hij altijd deed. Mijn zusjes en ik gingen bij hem kijken. Hij lag nog in bed. ‘Papa heeft allemaal poep op zijn gezicht!’ zeiden we tegen elkaar. Om negen uur kwam de huishoudster, tante Zus; zij schrok zich rot, en rende naar de dichtstbijzijnde dokter.

„Mijn vader was dood. Mijn oudste zusje huilde, maar ik wist niet wat dood was. Ik vond het vreemd allemaal. We werden naar een kennis gebracht, en na een paar dagen was mijn moeder weer thuis. Ze was bij haar zus in Duitsland geweest en net aan haar schildklier geopereerd. Ze zag er slecht uit, bleek, met een wit verband om haar nek. Ik kende haar niet goed meer. Ik had haar een hele zomer niet gezien.

„Uit het politie-onderzoek naar de oorzaak van mijn vaders overlijden kwam niets anders dan wat de artsen al geconstateerd hadden: hij had in zijn slaap een maagbloeding gekregen en was daardoor gestikt. Mijn vader had altijd goed op zijn gezondheid gelet. Hij was schoon en netjes, hij rookte niet, hij dronk geen alcohol. Hij bokste en tenniste en deed aan zweefvliegen. Het enige wat ik later heb kunnen bedenken is dat hij misschien veel aspirine slikte, en dat was toen nog erg hard voor je maag. Misschien is zijn maagwand daardoor aangetast.

„Alleen Mei Hwa mocht mee naar de begrafenis, als oudste. Een paar dagen later is deze foto bij het graf gemaakt. De man rechts was een oom van mijn vader, die namens de familie uit Indonesië was overgekomen. Ik weet verder niets van hem af.

„Ons geld raakte op. We hadden niemand om op terug te vallen. Drie jaar na mijn vaders dood konden we ons mooie huis met tien kamers niet meer betalen, en moesten we naar een pension in een veel minder goede buurt van Den Haag. Sunny Side heette het. Vreselijk. Mijn moeder ging ’s nachts voor het Groene Kruis werken om wat inkomsten te hebben. Toen ze een keer ten einde raad bij de tramhalte stond te huilen, raakte ze in gesprek met een Indonesische dame, die ons tijdelijk haar benedenetage aanbood. Zij was een lief mens. Later zijn we verhuisd naar een portiekflat.

„Mijn moeder had het moeilijk na mijn vaders dood. Ze sleepte zich voort. Ze worstelde met haar gezondheid; ze kreeg nierstenen waardoor ze ’s nachts lag te gillen van de pijn, en later kreeg ze nog een hersenbloeding. Maar ze bleef ook een echte, tüchtige Duitse. Scholing en opvoeding waren uiterst belangrijk voor haar. Wij bleven naar goede scholen gaan, ook al moesten we er nu een eind voor fietsen of met de tram. In het huishouden hoefden we niets te doen, als we maar leerden en goed ons best deden.

„Mei Hwa had thuis een uitzonderingspositie; mijn vader had haar al op een voetstuk geplaatst. Voor haar werd apart gekookt als ze ons eten niet lustte. Mei Lie was erg serieus, in alles. Mei Lan was de liefste, zij was altijd bezorgd om mijn moeder. Ik was de stoutste. Mijn moeder heeft me vaak een pak rammel gegeven, met de mattenklopper of met een pollepel. Ik haalde de hoogste cijfers van iedereen, maar op de middelbare school voerde ik niets meer uit: ik ben drie keer blijven zitten in de derde klas en toen uit huis getrouwd, zonder diploma op zak. Ik bleek in verwachting te zijn. Pas veel later heb ik een leuk beroep gevonden.

„Met de jaren heb ik wel meer begrip voor mijn moeder gekregen. Maar toen ze was gestorven kon ik niet huilen, heel gek. Een soort onvermogen. Dat harde, dat zit een beetje in ons.”

Haar man zet koffie met van die cups uit de reclame. Dure onzin eigenlijk, glimlacht ze, maar samenleven is je aanpassen. Sinds haar pensioen zorgt ze veel voor anderen; ze wandelt, ze leest voor. Voor de afwisseling zijn er reisjes.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl