Hoe laat een rechter zich nu eigenlijk overtuigen?

Van de twintig jaar dat ik als rechter werkzaam was, heb ik in het eerste (1978) en het laatste jaar (1997) deel uitgemaakt van een strafkamer. In beide jaren heb ik geworsteld met het fenomeen van de rechterlijke overtuiging. Die moet volgens ons wetboek van strafvordering volgen uit de bewijsmiddelen. Maar werkt het wel zo?

Het lijkt eenvoudig: als de wettelijke bewijsmiddelen voldoende zijn en de rechter is overtuigd, dan veroordeelt hij. Als de bewijsmiddelen voldoende zijn, maar hij is niet overtuigd, dan spreekt hij vrij. Als de bewijsmiddelen onvoldoende zijn maar de overtuiging is er wél, dan spreekt hij ook vrij. Maar wat brengt de rechter werkelijk tot zijn overtuiging?

Uit het dossier van de Schiedammer parkmoord werd een aantal wettelijke bewijsmiddelen geselecteerd waarmee op zichzelf het bewijs conform de wet geleverd geacht kon worden. Zoals bekend hadden de rechters ook de overtuiging dat de verdachte, die later onschuldig bleek, de moord gepleegd had. De vraag die tot heden niet is gesteld is: wat had de verdachte over zich dat zoveel rechters bij de selectie van de bewijsmiddelen tot de overtuiging kwamen dat hij de moord ook gepleegd had?

Helemaal prangend was die vraag bij Lucia de Berk. Persoonlijk kon ik, na lezing van de uitspraken van rechtbank en hof, amper geloven dat de gehanteerde bewijsmiddelen een voldoende wettelijk draagvlak hadden. Wát had Lucia over zich dat al die rechters de overtuiging hadden dat zij de ten laste gelegde moorden had gepleegd?

Ik verbaas mij erover dat het belang van een breed wetenschappelijk onderzoek naar de vorming van de rechterlijke overtuiging nog niet is aangekaart. In een tijd waarin de psychologie op allerlei gebied strategieën heeft ontwikkeld om mening en gedrag al dan niet ongemerkt te beïnvloeden moet het toch mogelijk zijn om het proces van de vorming van de overtuiging bij de oordelende rechter in kaart te brengen. Het zal de onafhankelijkheid van rechters alleen maar bevorderen als zij zich bewust weten van de factoren die van invloed zijn bij de vorming van hun overtuiging.