Het schreeuwenboek

Begin deze week zag ik een ongelofelijk mooie schreeuw in de krant. Een meisje van een jaar of twintig loopt in Los Angeles mee in een demonstratie tegen British Petroleum, de maatschappij die de Golf van Mexico vervuilt. Ze draagt een bord mee. ‘BP profits: The planet & people pay!’ Ze heeft haar ogen dichtgeknepen, haar mond zo ver opengesperd dat je achter haar tong het keelgat kunt zien en in het geweld van die inspanning wappert haar blonde haar ver van haar hoofd. Ongelofelijk. Jammer dat een foto geen geluid kan maken, maar dat komt nog wel.

Sinds een jaar of zestien heb ik een schreeuwenboek. Begonnen in 1994, toen het schilderij van Edvard Munch, De Schreeuw (1893) werd gestolen. Munch wilde de wanhoop uitdrukken. Daarin is hij geslaagd, maar langzamerhand heeft deze Schreeuw een algemene betekenis gekregen. De schreeuw is geworden tot de uitdrukking van alles wat onzegbaar is. Zie ik een foto van een wijd opengesperde mond dan knip ik die uit en plak hem in.

Het populaire schreeuwen is begonnen toen het in de voetballerij gewoonte werd om met dit auditief geweld je triomf kracht bij te zetten. Heel vroeger, in de tijd van Johan Cruyff, liet je je opgetogenheid blijken door een paar keer met je rechterarm in de lucht te slaan. Toen kwam Maradonna die na de voltreffer voor de eretribune een aanloop nam, op zijn knieën verder schoof en tot stilstand gekomen, God voor Zijn genade dankte. Allemaal geschiedenis.

De tijd van de maximale zelfexpressie brak aan, en het voetbal is de sport die zich daar nu eenmaal het best voor leent. Er zijn tennissers die het ook goed kunnen, je hebt boksers die een geweldige muil kunnen opentrekken, maar voetbal blijft het beste. In mijn schreeuwenboek is Klaas-Jan Huntelaar daarin de kampioen, vooral omdat hij de grootste variatie heeft. Triomf, gezag, verontwaardiging, verongelijktheid, ziedende boosheid, alles kan hij in zijn schreeuwen leggen. Behalve de spelers heb je de trainers, die langs de lijn met het geweld van hun stem strategische aanwijzingen geven. Maar hun maximale stemverheffing is functioneel. Ze moeten zich in het stadiongeraas verstaanbaar maken.

Beroemde voetballers zijn rolmodellen. Het duidelijkst is dat te zien op de foto van een Feyenoordsupportertje van een jaar of vier. Hij schreeuwt niet, hij kijkt ontzettend boos, hij heeft zijn rechtervuistje gebald en zijn middelvingertje omhoog gestoken. Een adembenemend tijdsbeeld.Hoe is het dit kereltje vergaan? Is hij trots op dit portretje? De Herald Tribune had vroeger een rubriek Where are they now? waarin gemeld werd wat de mensen uit het nieuws van tien jaar geleden nu deden. In het kader van de vernieuwing afgeschaft.

Tot de pronkstukken van mijn verzameling hoort een foto van Gerrit Zalm, genomen terwijl hij met Dirk Scheringa aan een bureau zit. Het is nog voor de ondergang van de DSB. De voormalige bewindsman lacht niet zomaar, gewoon, hartelijk, maar alsof hij een ogenblik geleden de onbetaalbaarste van alle moppen heeft gehoord. Hij heeft zijn mond zowat even wijd open als dat meisje van de demonstratie in Los Angeles, maar toch heel anders. Hij demonstreert het absolute toppunt van vrolijkheid. De bankier zit erbij alsof hij er een beetje van geschrokken is. Wat is de inhoud van deze voltreffer op het gevoel voor humor van de econoom? Alweer een raadsel dat wel nooit zal worden opgelost.

De afgelopen twee decennia heeft de schreeuw zich tot een normale, algemene uitdrukkingsvorm geëmancipeerd. We waren eraan gewend geraakt. Tot op 4 mei op de Dam iemand door de twee minuten stilte heen begon te schreeuwen. Over de man, zijn motieven en de gevolgen zijn intussen pagina’s vol geschreven. Aan beelden van de paniek is geen gebrek. Maar één beeld ontbreekt. Dat van het schreeuwende gezicht. Een historisch manco.