Genkatoen en de strijd om het Indiase platteland

Moeten katoenboeren zich overleveren aan grote bedrijven die genetisch gemanipuleerde zaden leveren of zich terugtrekken op goedkope, biologische methoden? Op het Indiase platteland speelt een felle richtingenstrijd.

Ponnam Mallaiah (55) gebruikt compost om de grond te bemesten. Vraatzuchtige rupsen en kevers op zijn planten bestrijdt hij door de bladeren te besproeien met een extract getrokken van de vruchten van de neemboom. En straks in de zomer, als de nieuwe katoen is ingezaaid en de eerste moessonregens zijn gevallen, zal hij ’s avonds vuurtjes op zijn veld aansteken om de katoenmot, aangetrokken door het licht, te doden.

Een jaar of acht geleden heeft Mallaiah het gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen afgezworen. Ook koopt hij geen genetisch gemanipuleerde zaden van het Amerikaanse concern Monsanto of anderen om katoen te telen, zoals meer dan 90 procent van de katoenboeren in India wel doet. Eerst keken de buren hem hoofdschuddend aan, inmiddels volgen alle boeren in dorpje Enabavi, in de Zuid-Indiase deelstaat Andhra Pradesh, zijn voorbeeld. ‘Welkom in het dorp zonder chemicaliën’, hebben twee mannen zojuist in groene letters op een bord langs de kant van de weg geschilderd.

Enabavi is een vooruitgeschoven dorp in de ideologische strijd die in India woedt over de toekomst van het platteland en de boeren. Andhra Pradesh kwam de afgelopen jaren in het nieuws door zelfmoord onder boeren die door droogte en misoogsten hun schulden niet konden aflossen. Nu rukt de biologische landbouw op in de deelstaat. Bijna 600.000 boeren geven hun geld niet langer uit aan kunstmest en pesticiden. Ze zeggen dat ze daardoor niet alleen het milieu en hun gezondheid sparen, maar ook dat ze zich niet meer in de schulden hoeven te steken. Hun bedrijfjes, vaak niet meer dan één, twee hectare groot, zijn plotseling levensvatbaar geworden.

„Niemand in mijn dorp hoeft meer elders werk te zoeken. We kunnen onze kinderen langer naar school sturen”, zegt Mallaiah die ruim vier hectare bezit waarop hij rijst, tabak, katoen en groentes verbouwt. „Ik heb al zes jaar geen lening meer hoeven af te sluiten. Het eerste jaar ging mijn opbrengst iets naar beneden, maar daarna werd de grond steeds vruchtbaarder en ging mijn oogst omhoog.”

Dat klinkt heel mooi. Maar in Andhra Pradesh, met 80 miljoen inwoners van wie 70 procent op het platteland, vormen 600.000 kleine boertjes nog steeds een bescheiden minderheid, ook al zijn het er veel. Net als elders in India strooit het leeuwendeel van de boeren hier wel kunstmest, zwaar gesubsidieerd door de regering. Ze spuiten chemische middelen om onkruid en schadelijke insecten te bestrijden. En net als in de andere katoenregio’s van India zijn de boeren hier de afgelopen jaren massaal overgeschakeld op de teelt van genetisch gemanipuleerd katoen, zo versleuteld dat het door een bacteriegen (Bt-gen) zijn eigen gif aanmaakt tegen de katoenmot en andere insecten. Juist daardoor kunnen de boeren toe met minder bestrijdingsmiddelen voor hun katoen, zeggen de voorstanders.

De discussie over gengewassen is recentelijk hoog opgelaaid in India. Acht jaar geleden werd Bt-katoen toegestaan, vorig jaar oktober gaf een officiële commissie van deskundigen haar zegen aan commerciële toelating van Bt-brinjal. Dat zijn aubergines, de groente van de ‘gewone man’ in India. Het zou het eerste genetisch gemanipuleerde voedsel worden in het land.

Maar zover is het (nog) niet gekomen. In februari kondigde de eigenzinnige minister van Milieu, Jairam Ramesh, alsnog een moratorium af voor onbepaalde tijd. Te veel deskundigen hebben twijfels over de milieu- en gezondheidsrisico’s, te veel deelstaatregeringen (ook die van Andhra Pradesh) uiten bezwaren en te veel activisten zetten vraagtekens bij de objectiviteit en volledigheid van onderzoek naar de effecten, concludeerde hij na een reeks hoorzittingen. Dat zijn ambtgenoot van Landbouw („Biotechnologie is hard nodig om de voedselproductie te verhogen en de abjecte armoede in ontwikkelingslanden op te heffen”) daar niet blij mee was, deerde hem niet.

Ook tegen Bt-katoen werd en wordt nog steeds fel geprotesteerd. Maar dat heeft een snelle opmars ervan niet verhinderd. Volgens landbouweconoom Matin Qaim van de Georg August Universiteit in het Duitse Göttingen, die jaarlijks onderzoek doet onder katoenboeren in Zuid- en Midden-India, is dat niet verwonderlijk. Afhankelijk van weer en regenval variëren de oogsten van jaar tot jaar, maar gemiddeld is de opbrengst per hectare veel hoger dan in de jaren voor de introductie van Bt-katoen, terwijl het pesticidegebruik minder is. Bt-katoen is „een succesverhaal” voor grote én kleine boeren, schrijft hij in een email.

Het recente besluit van minister Ramesh om de komst van Bt-brinjal te blokkeren, noemt Qaim „erg ongelukkig”. „Gezien de grote uitdagingen waarvoor we staan (groeiende vraag naar voedsel en brandstof, klimaatverandering, schaarste van land en water, etc) kunnen India en de wereld niet zonder moderne wetenschap om de productiviteit van gewassen te verbeteren”, schrijft hij. „Het zou onverantwoordelijk zijn de mogelijkheden van gentechnologie volledig te negeren. Meer openbaar onderzoek op dit terrein is belangrijk om armen te helpen en om activiteiten van particuliere ondernemingen te complementeren”.

Dat klinkt niet onredelijk, maar net als elders in de wereld wordt de discussie over genvoedsel in India al snel emotioneel. Veel ruimte voor nuances is er niet. Critici noemen onderzoekers als Qaim handlangers van multinationals als Monsanto. „Waarschijnlijk een van de slechtste multinationals in de wereld”, stelt de invloedrijke wetenschapper P.M. Bhargava.

In zijn huis in Hyderabad, de hoofdstad van Andhra Pradesh, zegt Bhargava niets tegen gentechnologie te hebben. „Dankzij gentechnologie hebben we in India een enorme sprong kunnen maken op het gebied van geneesmiddelen. Maar het is volstrekt uit den boze om te gaan experimenteren met gentechnologie in het open veld”, zegt hij. „We hebben zeker nog twintig jaar onderzoek nodig om zeker te weten of genvoedsel absoluut veilig is.”

Misschien meer nog dan over de voedselveiligheid maakt Bhargava zich zorgen over het verlies van India’s onafhankelijkheid als genzaden producerende multinationals met hun sterke banden met de Amerikaanse regering hun zin krijgen. „Wie het zaad in India controleert en de agrochemische industrie, controleert de landbouw. En wie onze landbouw controleert, controleert India en zijn voedselzekerheid. Meer dan 60 procent van de bevolking is afhankelijk van landbouw”, zegt Bhargava.

Ook Devinder Sharma, voorzitter van het Forum voor Biotechnologie Voedselveiligheid in Noida, even buiten Delhi, wijst op de grote betekenis van landbouw. In de VS en Europa produceert een klein aantal boeren voor een groot aantal mensen. Dat is niet de weg die India op kan, zegt Sharma, die de afgelopen maanden een hoofdrol speelde in het consumentenverzet tegen de toelating van Bt-brinjal.

„Moeten wij klakkeloos het westerse model na-apen? Dat kan helemaal niet. Er zijn helemaal geen banen om al die mensen in de landbouw op te vangen. In India moeten we niet produceren voor de massa, maar moet de massa produceren voor het land”, zegt hij. „We moeten toe naar duurzame landbouw. We hebben geen behoefte aan technologie die het milieu aantast, de voedselveiligheid in gevaar brengt en de boeren dwingt hoge schulden aan te gaan. De afgelopen vijftien jaar hebben 200.000 boeren in India zelfmoord gepleegd en niemand lijkt zich daar erg druk over te maken.”

Voor activisten als Sharma zijn boeren als Mallaiah in het chemisch-vrije Enabavi pioniers in de strijd tegen de aftakeling van de Indiase landbouw. Aan de andere kant van de frontlinie staan boeren als Bolneni Kishan Rao (55) en zijn buurman uit een gehucht ten noorden van de stad Warangal. In 2002 behoorden zij tot de eersten die Bt-katoen gingen verbouwen, en ze zeggen er nooit spijt van te hebben gehad. Tien dagen geleden is de laatste katoen van de voorbije oogst van het land gehaald. Ondanks de tegenvallende moesson van afgelopen jaar zijn ze dik tevreden met de opbrengst.

Veel verzet tegen gengewassen komt voort uit onwetendheid van boeren, meent Rao. „Er gaan allerlei geruchten. Geiten en schapen zouden zijn gestorven na het eten van katoenplanten. Maar ik heb nooit nadelige effecten gezien. Toen we nog veel meer bestrijdingsmiddelen gebruikten, hoorde je nooit over het gevaar van giftige planten”, zegt hij. Hij zegt ook dat de grondprijzen in de streek fors zijn gestegen. Dat is ook een teken dat het goed gaat met de boeren hier, zegt hij.

Een half uurtje rijden verderop woont Gurrala Sanjeva Reddy (45). Haar huisje kijkt uit over de katoenvelden. Vijf maanden geleden verhing haar man zich aan een boom. Drie jaar terug had hij geld geleend van vijf boeren in de buurt, in totaal omgerekend zo’n drieduizend euro. Hij wilde waterputten slaan, maar hij had geen geluk. Hij vond geen water en drie jaar achtereen mislukte zijn oogst van Bt-katoen. Zo raakte hij steeds dieper in de schulden. Het vooruitzicht zijn land te verliezen, kon hij niet verdragen.

Reddy huilt als buren het verhaal vertellen. Nee, het lag niet aan het genzaad dat de planten niet goed opkwamen, het was de droogte, zeggen ze. De weduwe knikt. Haar zoon kijkt zwijgend toe. De komende maanden wil hij nog een poging wagen. In juni zal hij genzaad kopen en uitzaaien op zijn akkers. Als de komende moesson overvloedig is, heeft hij geluk en kan hij een deel van de schuld aflossen. Maar als de regens opnieuw uitblijven, dan is er geen uitweg meer.