Geen stem voor de partij, geen suiker

Morgen worden in Ethiopië parlementsverkiezingen gehouden. De regering van premier Meles Zenawi zorgt ervoor dat die niet tot veranderingen leiden.

Trappelende paarden, met bont bedekt, en woest springende jongeren vullen het stadion van het Ethiopische stadje Ambo. Verkiezingscampagnes in Afrika zijn vaak een feest. Zeker wanneer de regeringspartij voor het vervoer zorgt en gratis T-shirts, armbanden, petjes en zelfs horloges uitdeelt. Op alle presentjes staat een monsterlijk grote bij, het verkiezingssymbool voor het Ethiopisch Revolutionair Democratisch Volksfront (EPRDF). De bij werkt immers hard en verdedigt zijn nest met zijn leven.

Aan de andere kant van Ambo klinkt het geklak van paardenhoeven. De huifkar blijft een belangrijk vervoermiddel in het arme Ethiopië. Woldeyesus Mengesha nipt aan zijn kopje koffie. Een bij kan ook pijnlijk steken. „Het EPRDF intimideert en terroriseert de bevolking”, klaagt de kandidaat voor de oppositiecoalitie Medrek. „De verkiezingen van morgen zijn niet vrij en eerlijk. Het EPRDF kwam met geweld aan de macht in 1991 en zal nooit democratisch worden. Een slangenei kan geen duif voortbrengen.”

In het stadion prijst spreker na spreker het hardwerkende Volksfront. Meer scholen, meer infrastructuur, meer ontwikkeling. Er is ontegenzeggelijk economische en politieke vooruitgang in vergelijking met de wrede dictatuur onder de marxistische militaire leider Mengistu (1974-1991). De hoofdstad Addis Abeba ondergaat een metamorfose, met nieuwe gebouwen en door Chinezen aangelegde snelwegen. „De bij verdrijft de armoede”, zegt het hoofd van de Volksfront-campagne in Ambo.

Fufa Daba kijkt schichtig om zich heen. Hij voert campagne voor de oppositie en betaalt daarvoor een prijs. „Na de verkiezingen van vijf jaar geleden begon de regering ons te straffen”, vertelt hij. „Als je geen partijlid bent, krijg je geen overheidsbaan. Mijn zusje werd van school gestuurd, mijn vrouw ontslagen. Oppositieaanhangers verdwijnen achter de tralies. De regering behandelt ons als vijanden van het volk.”

Het EPRDF ontstond uit een boerenopstand tegen Mengistu in de noordelijke provincie Tigré. De regeringspartij belijdt het „democratische centralisme”. Een kleine groep rond premier Meles Zenawi neemt in het belang van de massa de beslissingen en voedt het volk op. Om de westerse donorlanden te plezieren die in Afrika de meeste hulp aan Ethiopië geven, organiseert de regering verkiezingen. Maar tot veranderingen en afwijkingen van het rechte pad mogen die niet leiden.

Dat dreigde bij de verkiezingen van vijf jaar geleden. Die hebben Ethiopië getraumatiseerd. Het Volksfront leek overtuigd van de zege en liet open debat toe. Dat leidde tot een revolutie in het drieduizend jaar oude en op archaïsche wijze bestuurde voormalige keizerrijk. De gewoonlijk onderdanige bevolking was gaan twijfelen aan de onaantastbare regeringspartij. Een groot deel stemde tegen de regering. In Addis Abeba gingen vrijwel alle zetels naar de oppositie.

Oppositie en EPRDF eisten ieder de eindzege op. Er braken betogingen uit, er vielen tweehonderd doden en tienduizenden opposanten werden opgesloten in speciale kampen.

Op de kortstondige verfrissende wind volgde een verstikkende stilte. Oppositieleider Woldeyesus Mengesha in Ambo kijkt over zijn schouder, want verderop luistert een spion mee. Fufa Daba fluistert – een onbekende man zit tijdenlang op hoorafstand zijn veters vast te maken. De schrik zit erin, Ethiopiërs durven niet meer vrijuit te praten. Ze vertellen over bezoekjes thuis van Volksfrontleden die hun adviseren op de juiste partij te stemmen. „Boeren horen dat ze geen kunstmest meer van de overheid krijgen als ze niet op het EPRDF stemmen”, vertelt Woldeyesus Mengesha. „Inwoners van Ambo krijgen geen suiker als ze de partij niet steunen. En studenten moeten lid van de partij worden.”

Na het verkiezingsdebacle van vijf jaar geleden besloot de regeringspartij de teugels niet opnieuw te laten vieren. Oppositieleiders werden gevangengezet of ontvluchtten het land, onafhankelijke mensenrechtenorganisaties werden aan banden gelegd, de pers kreeg nieuwe beperkingen opgelegd en een speciale antiterrorismewet maakte iedere opposant tot potentiële staatsvijand. Het Volksfront verstevigde zijn controle op de speciale buurtraden overal in het land en begon een rekruteringscampagne waardoor in vier jaar het aantal partijleden toenam van 760.000 tot vier miljoen. De partijkaart werd het bewijs van goed gedrag.

Bijen zwermen rond het zoete bier in het huisje van Haftamou Lecho in het bergdorpje Wenchi, een uur rijden van Ambo. Buurtbewoners komen de geboorte van zijn nieuwe baby vieren. Over politiek willen ze niet spreken. Met een blik op het kratermeer beneden vertelt Lecho hoe slecht het vroeger was. „Ik had hier niet levend gezeten als het EPRDF Mengistu niet had verdreven”, zegt hij. „De terreur van toen, die onderdrukking is voorbij.”

Binnenkort is er elektriciteit in Wenchi en kunnen de bewoners mobiel bellen. De kinderen van Lecho gaan naar de basisschool, weliswaar door het gebrek aan docenten de ene zoon in de ochtendploeg en de andere in de middagploeg, maar dat kan Lecho niet schelen. „Zo kunnen ze ieder op hun beurt de koeien hoeden. Het EPRDF is goed voor ons”, zegt hij. Zijn bezoekers stemmen met zijn woorden in. De vorige keer stemden de inwoners van Wenchi allemaal op de oppositie, maar daarover willen ze niet meer praten.