Filmfestival Cannes mist dit jaar echte uitschieters

Het filmfestival in Cannes beleefde een zwakke editie, enkele geslaagde films daargelaten. Echte publiekstrekkers waren er niet. De kloof tussen kunstfilms en markt groeit.

In een goed jaar is het festival van Cannes de plek waar de twee gezichten van film bij elkaar komen: film als kunstvorm en film als industrie. In een minder jaar lijkt de artistieke cinema die in Cannes centraal staat meer op een façade, voor een industrie die in werkelijkheid met hele andere zaken bezig is. Zo’n editie was het dit jaar. Tekenend is dat op de filmmarkt, die tegelijk met het festival plaatsvindt, tientallen 3D- films werden gepitcht, terwijl op het festival zelf geen enkele film in 3D te zien was.

De opgewonden setting van Cannes biedt aan artistieke films de mogelijkheid plotseling genoeg rumoer te veroorzaken om de concurrentie aan te gaan met de zwaar gepromote producten van Hollywood. Maar zulke opwinding bleef de aflopen tien dagen grotendeels uit.

De onevenwichtige filmcompetitie stelde over het geheel genomen teleur. Ook zijn er dit jaar opmerkelijk weinig films voor Nederland aangekocht in Cannes. De kloof tussen kunstfilms en de markt groeit.

Vooraf was al duidelijk dat weinig topregisseurs dit jaar op tijd een nieuwe film af hadden voor Cannes. Dat bood opkomende filmmakers meer kans om de aandacht te trekken. Sommige films buiten het hoofdprogramma, zoals Les amours imaginaires van de piepjonge Canadees Xavier Dolan, een sprankelende film over een driehoeksverhouding, slaagde daar inderdaad in. Maar ook in de bijprogramma’s was er niet één uitgesproken film die tijdens het festival de tongen in beweging bracht.

Bij gebrek aan topzware filmauteurs was er ook meer ruimte voor documentaires met een luid en duidelijke politieke boodschap. In Countdown to Zero jaagt regisseur Lucy Walker de kijker angst aan voor nucleaire proliferatie. In Inside Job biedt Charles Ferguson een scherpe analyse van de oorzaken van de huidige economische crisis. Beide films zijn vooral gebaseerd op interviews en hebben als film niet zo vreselijk veel te bieden.

Natuurlijk is er ook op een minder sterke editie van zo’n groot en divers festival als Cannes nog steeds een aantal geslaagde films te vinden. De Britse regisseur Mike Leigh maakte gewoon een goede nieuwe film, zoals hij ze al decennia lang maakt. In Another year portretteert hij een ouder stel (gespeeld door Jim Broadbent en Ruth Sheen) met een gelukkig huwelijk, maar met een vriendenkring die minder gezegend is.

In de loop van vier seizoenen zien we hun worsteling met alcohol, eenzaamheid en ouderdom en uiteindelijk de dood, in de beste traditie van het Britse sociaal-realisme. Mooi en subtiel gedaan, maar de gebeurtenissen zijn zelfs voor een film van Mike Leigh wel erg klein.

Bewonderenswaardig, maar moeilijk om écht warm voor te lopen is het religieuze drama Des Hommes et des Dieux van de Franse regisseur Xavier Beauvois, over een groep monniken in Algerije die worden bedreigd door moslimterroristen.

De Iraanse regisseur Abbas Kiarostami maakte met Copie conforme een eigenzinnig, aangrijpend portret van een huwelijk, in een film vol dubbele bodems die tegelijk cerebraal, speels en dramatisch is.

Niet perfect, maar zeker de meest energieke, woeste film in competitie was Biutiful van Alejandro Gonzalez Inarritu; over de helletocht van Uxbal (grandioze rol van Xavier Bardem), een vader van twee kinderen die in allerlei handeltjes zit in een achterbuurt van Barcelona, en daarnaast ook nog ongeneeslijk ziek is.

Bijzonder was ook het Koreaanse Poetry van Lee Chang Dong; een bespiegeling over de betekenis van poëzie (en impliciet ook van film) in een wereld die, zoals altijd, in het teken staat van onrecht en geweld. Actrice Yun Junghee is voortreffelijk als Mija, een grootmoeder die zich opgeeft voor een cursus poëzie bij het buurtcentrum. Op het zelfde moment krijgt ze te horen dat haar kleinzoon, die ze alleen opvoedt, betrokken was bij de verkrachting van een meisje, dat later zelfmoord heeft gepleegd.

In competitie waren dit jaar te veel films te zien die op zichzelf goed gelukt zijn, maar een te hermetisch en in zichzelf gekeerd karakter hebben om echt een kans te maken een publiek te zullen vinden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de inktzwarte, ondoordringbare evocatie van Rusland in My Joy van de Oekraïense filmmaker Sergei Loznita, maar zo waren er wel meer. Voor dit type cinema dat vooral gewaardeerd door een publiek van professionals (festivalprogrammeurs en recensenten) en slechts zelden de bioscoop haalt, moet een plek zijn op een festival als Cannes. Maar de balans was dit jaar in de competitie wel enigszins zoek.

Vooral de films in het midden, die zowel artistieke ambitie hebben als een poging doen een breder publiek te interesseren, hebben het moeilijk in het huidige filmklimaat. Ook daardoor staat de brugfunctie van Cannes onder druk. Maar de conjunctuur speelt daar mede een rol in. Volgend jaar kan dat alweer beter zijn, als de economie is aangetrokken en er weer een hele nieuwe oogst aan films voorligt.