Een speld als bescherming

Sieraden gaan generaties mee, maar hun betekenis verandert, zegt Marjan Unger.

In de jaren vijftig werd de ‘slavenarmband’ populair onder Nederlandse meisjes. In advertenties voor deze armbanden werden vaak negerinnen afgebeeld. De link met slavernij was bekend, maar niet problematisch. De armbanden hadden de vorm van de banden waarmee in Noord-Amerika en het Caraïbisch Gebied slaven geketend werden. Waarschijnlijk was het een Amerikaans-Engelse mode die naar Nederland overwaaide, vertelt Marjan Unger. Zij promoveerde onlangs op Jewellery in Context, een proefschrift over sieraden.

Maar wat betekenden deze slavenarmbanden dan? “Het kan zijn dat je zo gewend bent iets te dragen dat je daar niet meer over nadenkt”, zegt Unger. “Ik heb er zelf ook een gedragen. Want laten we eerlijk zijn, zo’n gladde armband is gewoon een mooi accent aan een pols. Nou waren de jaren vijftig nog niet zo’n bloeitijd van de vrouwenemancipatie hoor. Dat zou trouwens een leuk onderzoekje zijn: alle toonaangevende feministen vragen of ze als meisje een slavenarmband gedragen hebben.”

Unger: “De symboliek van sieraden verandert in de loop der tijd – al is het maar omdat een sieraad vaak verschillende generaties meegaat. Moeder droeg het om een bepaalde reden, haar dochter vond er niks aan, de kleindochter draagt het weer wel, maar om een andere reden dan haar oma.”

In haar proefschrift schrijft Unger hoe moderne sieraden vaak teruggrijpen op ‘vormen die de tijd doorstaan hebben, die vertrouwen en andere emoties oproepen, maar waarvan de oorspronkelijke betekenis vaak niet meer bekend is en hooguit vermoed kan worden’.

Marjan Unger was elf jaar lang hoofd van de afdeling Vrije Vormgeving van het Sandberg Instituut. Ze heeft veel geschreven over sieraden, onder meer het zeshonderd pagina’s dikke Het Nederlandse sieraad in de 20ste eeuw (2004). Ter gelegenheid van haar proefschrift schonk Unger haar omvangrijke collectie 20ste-eeuwse sieraden aan het Rijksmuseum, dat sinds 16 maart een klein deel daarvan tentoonstelt in de Philipsvleugel.

Ungers proefschrift is een theoretische verhandeling over sieraden, waarbij ze als kunsthistorica vooral ook te rade gaat bij de psychologie, sociologie en antropologie.

“Kunstgeschiedenis is een behoorlijk elitaire tak van sport”, zegt ze. “Er wordt vooral gekeken naar de hoogtepunten. Al het andere wordt daaraan ondergeschikt gemaakt. Maar hoe ga je dan om met producten die niet voor de happy few bestemd waren? Die je voor 17,95 op de markt moest komen?”

Een van haar belangrijkste inspiratiebronnen was het boek The psychology of clothes (1930) van John Carl Flügel. Flügel vroeg zich af: waarom dragen mensen ook kleren als ze die eigenlijk niet nodig hebben (bij de centrale verwarming, op een warme zomerdag, in bed, aan het strand, etcetera). Zijn antwoord: kleren zijn op de eerste plaats symboliek. Flügel gebruikte daar de term modesty voor, die bij hem verwijst naar een spel van tonen of juist niet tonen.

Unger: “Hiermee opende hij een deur voor de beschouwing van het sieraad die wat mij betreft nooit meer gesloten mag worden. Modesty heeft bij Flügel vooral te maken met hoe je je naar anderen opstelt. Bedek je het lichaam, of laat je het lichaam juist zien door bepaalde lichaamskenmerken te accentueren?”

Dat kan ook uitgelegd worden in maatschappelijke termen: wil je ergens bijhoren (bescheidenheid, kuisheid, conformisme) of wil je benadrukken dat je bijzonder bent (macht, erotiek)?

Unger: “Het komt er 99 van de 100 keer op neer dat je ergens bij wilt horen, maar dat je binnen die groep toch net even anders wilt zijn dan de anderen. Die dualiteit, dat is het belangrijkste spel. Ook al geven mensen zelden toe dat ze bij een bepaalde groep willen horen. Het is eerder: ‘Ja, maar ik ben anders, mijn haar zit anders, ik draag een ander soort sieraad’.

“Een ander begrip dat ik ongelofelijk interessant vind is: wellevendheid. Je kunt met je gedrag aanstoot geven, en je kunt met je gedrag anderen op hun gemak stellen. Het dragen van een sieraad kan heel agressief zijn. Dat heb ik zelf gemerkt. Had ik weer een of ander wonderlijk sieraad gekocht, maar als ik naar een familiefeest ging, ja, wat had ik er dan aan? Moest iedereen dan tegen mij zeggen: Marjan, wat heb jij een bijzondere ketting om. Nee, dan kon ik beter iets dragen wat uit die familie kwam en waarvan anderen zeiden: wat leuk dat je het kettinkje van oma draagt.”

Maar anders dan bij kleren, kun je er toch ook voor kiezen om géén sieraden te dragen?

“Sterker nog, soms is de hoogste macht onthouding. Tsaar Alexander de Eerste was daar een mooi voorbeeld van. Hij en zijn vrouw hebben zich een aantal jaren zonder juwelen laten portretteren. Als je over alles kunt beschikken wat dat betreft, dan is dat op een gegeven moment ook niet meer zo interessant. Soms is het interessanter om ‘niet te tonen’ dan om het er hartstikke dik bovenop te leggen. En zeker met sieraden luistert dat heel nauw. Voor Alexander de Eerste was het een manier om zich af te zetten tegen zijn tijdgenoot Napoleon, die hij maar een parvenu vond.

“Napoleon had in Frankrijk de macht gegrepen en zich ook alle symbolen van macht toegeëigend: hij liet voor zichzelf de duurste pakjes maken en zijn echtgenote, Josephine, droeg drie keer per dag een andere jurk en allerlei dure sieraden zoals tiara’s. Door geen sieraden te dragen zei tsaar Alexander als het ware tegen Napoleon: ‘jij doet je best maar, maar daar hangt het niet van af hè, want ik ben van adel en jij niet.’ Adel telde in die tijd nog.”

Zouden sieraden niet ook een gevoel van bescherming kunnen geven, los van de sociale status?

“Ja, er worden natuurlijk allerlei magische krachten aan toegeschreven. Binnen de beschouwing van de mode is het een geliefde uitspraak dat de juiste kleding, en daarmee het juiste uiterlijk, een gevoel van zekerheid kan bieden die geen enkele geloofsovertuiging kan evenaren.

“Maar je kunt dat idee van bescherming veel ruimer zien. Ik denk dat daar ook de vraag van het bestaan, ‘wie ben ik’, in zit. Waar hoor ik bij? Waarom dragen vrouwen de armband van hun moeder? Dat geeft ze het gevoel dat ze deel uitmaken van een existentiële lijn – ook dat is een vorm van bescherming.

“Daarnaast is er het simpele feit dat sieraden een financiële waarde hebben. Dat geeft een soort zekerheid. En zelfvertrouwen. Daar werken sieraden heel erg op. En het is ongelofelijk mooi om te zien dat dat echt niet alleen een kwestie van welstand is. Juist mensen uit wat minder bedeelde maatschappelijke lagen hechten heel veel waarde aan een leuke ketting of een paar goeie oorbellen.

“Er wordt wel eens gezegd: al die uiterlijkheden zijn als het erop aankomt niet belangrijk, want wie denkt er in tijden van oorlog aan sieraden? Mooi wel hè. De vrouwen van Sarajevo verzorgden zich prachtig tijdens het beleg. Om daar in die moeilijke tijden zelfrespect aan te ontlenen.”

Nederlanders zijn juist nogal terughoudend op het gebied van sieraden, zo stelt u vast. Waarom?

“In de ons omringende landen werden de maatschappelijke verhoudingen veel meer bepaald door de adel. In Nederland had de gegoede burgerij het voor het zeggen en die moest het van handel en slimme dingen hebben. Daar komt de mentaliteit vandaan van: ‘als je slim bent, laat je je rijkdom of macht niet zo makkelijk zien’.

“In Nederland ontstond een eigen kledingbeeld: de regentendracht. Die typisch zwart-witte kleding. Die best kostbaar kon zijn hoor: de gegoede burgerij droeg zware gebrocheerde zijde of gebloemd fluweel. Daar hoorde een bepaald soort sieraden bij: parels, diamanten. Die zie je ook op schilderijen afgebeeld. Maar van alles wat afgebeeld werd moet ook heel veel vals geweest zijn. Zoveel goeie parels waren er niet in omloop.”

En we zitten ook met de erfenis van het modernisme uit de twintigste eeuw: een afkeer van ornamentiek.

“En ook de vooruitgangsgedachte, vergeet dat niet. Het idee dat wetenschap en allerlei inzichten zo ver ontwikkelen dat mensen een ander niveau van denken en handelen bereiken, dat ze steeds betere wezens worden. Hoogstaander, intelligenter. En dus al die uiterlijke dingen niet meer nodig hebben. Daar kun je vraagtekens bij zetten.”

U bent een groot liefhebber van de sieraden van de Naga’s, een bergvolk in Noordoost-India.

“Die sieraden zijn heel elementair. Wat wordt daarin gesublimeerd? Natuurlijk ook weer waar je het minste van hebt. Wat een zekere handelswaarde heeft. Voor die bergvolkeren zijn dat witte schelpen. Ze kunnen zelf niet bij die zee. Die schelpen zijn ook draagbaar geld. Zo’n halssnoer kun je altijd weer ruilen voor wat anders.

“Als er afbeeldingen op die witte schelpen staan, zijn dat bijna altijd mensfiguren. Ze zijn dus heel erg bezig met het bestaan, het lichaam en de relatie tot de ander. En de mannen dragen ook veel. Zelfs grote horens op hun hoofd, wat natuurlijk viriliteit symboliseert. Je ziet heel mooi dat ook mannen die behoefte hebben om zich te tooien.”

Dat sieraden vooral een vrouwenkwestie zijn, noemt u een hardnekkig vooroordeel.

“Vóór 1800 droegen de grote machthebbers meer dan hun maîtresses, terwijl ze hun maîtresses toch ook aardig bedienden. De schittering van die juwelen was heel functioneel in een tijd zonder kranten en andere nieuwsmedia.

“Vanaf 1800 is er een geleidelijke versobering van de mannenkleding. De rol die een welgestelde man in de maatschappij speelde veranderde langzaam. Als je geld had, kon je dat vóór 1800 in één avond met kaarten verspelen, want je had altijd nog je familie die je weer overeind hielp of je had je adellijke titel.

“Het idee dat een man zich moet bewijzen als steunpilaar van de maatschappij en geen tijd heeft voor sieraden omdat hij gewichtiger zaken te doen heeft en vooral ook aan de economie moet bijdragen, dat is iets van na 1800. Wat ertoe geleid heeft dat de rijkdom minder op het lichaam wordt gedragen en meer in apparaten wordt gestopt: auto’s, horloges, telefoontjes.”

Marianne Unger-de Boer - Sieraad in context. Een multidisciplinair kader voor de beschouwing van het sieraad. blz. Uitgeverij Toth. €,-.