De stelling van Heinrich Winter: noodopvang voor kwetsbare asielzoekers moet mogelijk blijven

Mag een gemeente opvang bieden aan uitgeprocedeerde asielzoekers? Nee, zegt de minister. Jawel, zegt de rechter: de gemeente is dat soms verplicht. Een gesprek tussen Heinrich Winter en Ingmar Vriesema.

De noodopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers moet sinds 1 januari 2010 gesloten zijn, volgens een afspraak tussen het ministerie van Justitie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Nu klagen allerlei gemeentes over die afspraak. Wat is er aan de hand?

„In 2001 werd de nieuwe Vreemdelingenwet ingevoerd. Die moest een succes worden en dus hebben het ministerie van Justitie en de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) nieuwe asielaanvragen met voorrang behandeld. Asielaanvragen van vóór 2001 liepen daardoor vertraging op. Ongeveer 26.000 asielzoekers wachtten al vijf jaar of langer op uitsluitsel. Door hun onduidelijke status kwamen ze in een noodopvang bij gemeentes terecht. In 2007 kreeg een groot deel van die asielzoekers via een pardonregeling een verblijfsvergunning. Maar, zo redeneerde Justitie: dan is de noodopvang ook niet meer nodig. Vandaar die afspraak met de gemeentes.”

Dus de Rijksoverheid heeft schoon schip gemaakt. En het beleid nu is duidelijk: óf de asielzoeker krijgt een verblijfsvergunning óf hij moet weg uit Nederland.

„Dat is de officiële doctrine. Maar er zitten ontzettend veel grijstinten tussen dat zwart en wit. Wat moet een burgemeester doen als een uitgeprocedeerde, kwetsbare Algerijnse man van boven de zestig op zijn deur klopt? De burgemeester heeft een zorgplicht, aldus de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Dus zeggen humanitaire organisaties nu soms tegen een burgemeester: we hebben hier een gezin dat op straat leeft. Een humanitaire noodsituatie. Dan kan een burgemeester niet zeggen: jullie moeten het zelf maar uitzoeken. Nee, die voelt dat er een probleem op zijn stoep ligt.”

Als een aanvraag van een asielzoeker definitief wordt afgewezen, heeft hij vier weken de tijd om Nederland te verlaten. Is dat niet genoeg?

„Vier weken is natuurlijk ontzettend kort. In veel gevallen hebben asielzoekers geen identiteitsbewijs. Dat heb je nodig voor de terugkeer naar het land van herkomst. En je moet toestemming krijgen van het land van herkomst om toegelaten te worden. Dat wordt heel complex als je geen papieren hebt.”

Intussen zegt de minister: het gaat soepel met het sluiten van de noodopvang. Bijna negenhonderd uitgeprocedeerde asielzoekers hebben eind 2009 de noodopvang verlaten en voor 240 ex-asielzoekers moet nog een plekje gezocht worden. Dus hij zegt: het gaat niet eens over zoveel mensen.”

„Klopt. Maar het is wel een belangrijk vraagstuk. Een groot deel van de asielzoekers zijn jongemannen. Die redden zich wel, ook als hun aanvraag wordt afgewezen. Voor hen geldt inderdaad: ze zijn en blijven verantwoordelijk voor hun terugkeer. Maar er blijft een kwetsbare groep uitgeprocedeerde asielzoekers over die zichzelf niet kan redden. Gezinnen met kinderen, alleenstaande moeders. Voor hen is er toch zoiets als noodopvang nodig.”

Kunt u een voorbeeld noemen?

„Veel in het nieuws was het geval van een Angolese moeder met drie kinderen. Haar asielaanvraag werd afgewezen. Ze kwamen terecht in de vaste procedure die afgewezen asielzoekers voorbereidt op terugkeer naar het land van herkomst. Maar er kwam geen perspectief op terugkeer en toen zei de overheid: dan moeten we hen maar op straat zetten. Hun advocaat procedeerde tegen die beslissing, tot en met het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR). Dat Comité zei toen: de rechten van de kinderen brengen met zich mee dat de overheid verantwoordelijk is voor noodopvang.”

Ook de minister wil geen kinderen op straat. Hij zegt: misschien kan Jeugdzorg die kinderen opvangen.

„Dan moet je ouder en kind uit elkaar halen. Als iets in strijd is met internationale verdragen, is dat het wel. Dat is dus geen begaanbare weg. Dus ik zou zeggen: waarom niet die noodopvang?”

Hoe moet die noodopvang er volgens u uitzien?

„Het moet gaan om kleine aantallen. En je moet van tevoren een afspraak maken over de duur van de noodopvang. Gedurende die korte periode moeten de mensen ook geholpen worden bij hun voorbereiding op terugkeer: bemiddeling met de ambassade, zorgen voor de juiste documenten. Misschien moet je die mensen zelfs een opleiding bieden. Ook non-gouvernementele organisaties – die sinds kort zijn verenigd in de stichting Duurzame Terugkeer – kunnen daarbij helpen.”

Kleine aantallen? Wat bedoelt u dan?

„Hooguit enkele honderden mensen in totaal.”

Dat worden er natuurlijk meer. Noodopvang heeft een aanzuigende werking op mensen die weg moeten.

„Niet als je die opvang heel sober inricht. Het moet geen luxe hotel zijn, maar simpelweg voldoen aan humanitaire basisvoorwaarden. Denk aan opvang door het Leger des Heils.”

Als in het land van herkomst oorlog of andere ellende wacht, heeft zelfs sobere opvang een aanzuigende werking, denkt u niet?

„Niet op jonge mannen, die het merendeel van de asielzoekers vormen. Nogmaals, die zijn heel goed in staat zichzelf te redden. Ze reizen verder naar een ander land, keren terug of verdwijnen in Nederland in de illegaliteit. Die gaan dus echt niet in de noodopvang zitten. Je moet goed voor ogen hebben wie behoefte zal hebben aan die noodopvang: de meest kwetsbare asielzoekers.”

Noodopvang moet kort duren, zegt u.

„Ja, liefst enkele maanden en maximaal een half jaar.”

Stel: het lukt in die periode niet om het papierwerk rond te krijgen, omdat het land van herkomst niet meewerkt, zoals regelmatig gebeurt. Wat dan?

„Als de vreemdeling zelf alle moeite heeft gedaan om mee te werken aan de beoogde terugkeer, maar het land van herkomst verzet zich, dan kun je hem of haar bijvoorbeeld ondersteunen in de doormigratie naar een ander land. En in het geval van heel kwetsbare vreemdelingen kun je overwegen een verblijfsvergunning aan te vragen op basis van de buitenschuldregeling. Dat is een aanvraag die een asielzoeker kan doen als hij buiten zijn eigen schuld het asielland niet kan verlaten. Dan heb je het echt over heel geringe aantallen, want dat moet geen aanzuigende werking hebben.”

Soms werkt een vreemdeling zelf niet mee aan zijn terugkeer. Stel dat op die manier de termijn van enkele maanden noodopvang wordt overschreden.

„De Nederlandse overheid heeft in elk geval nog de vreemdelingenbewaring als mogelijkheid. Maar dan geldt als voorwaarde dat er uitzicht moet zijn op uitzetting. Stel, dat uitzicht op uitzetting is er niet, en de vreemdeling werkt zelf ook niet mee aan zijn terugkeer, ondanks alle assistentie en financiële hulp. In dat geval moet je heel goed nagaan: wie hebben we hier voor ons? Gaat het om een vreemdeling die zichzelf zou kunnen redden? Zo ja, dan is er altijd nog wat gekscherend de klinkerprocedure heet: dan wordt iemand op straat gezet. Die persoon krijgt een treinkaartje naar de grens, en dan moet-ie maar zien. Maar als je een kwetsbare vreemdeling voor je hebt, een gezin met kleine kinderen van wie je bijna zeker weet dat het op straat slecht met hen afloopt, dan valt die optie af.”

Als je de noodopvang gedoogt, geef je dan ook niet een signaal aan het land van herkomst? Dat het loont om de asielprocedure te vertragen?

„Stel dat algemeen bekend is dat er in Nederland geen noodopvang is voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Zou dat de opstelling van het land van herkomst anders maken? Iedereen weet wel dat wij in Nederland de mensen niet van de kou of honger laten omkomen.”

Dat is wel waar u voor waarschuwt, voor het lot van het kwetsbare gezin buiten op straat.

„We moeten oppassen dat we de meest kwetsbare mensen niet onder een humanitaire basisgrens laten glippen. Maar ik betwijfel of landen van herkomst onder de indruk zijn van de vraag of Nederland wel of geen noodopvang toestaat.”

De Rijksoverheid is gemeentes al tegemoetgekomen. Er is een meldpunt in het leven geroepen, een crisisinterventielijn. Als bij een gemeente een asielzoeker met onduidelijke status voor de deur staat, is het Rijk 24 uur per dag beschikbaar. Justitie checkt dan wat er precies aan de hand is en of er bijvoorbeeld een buitenschuldregeling moet worden getroffen.

„Op zich is het goed dat zo’n meldpunt er is. Maar het is vooral theoretisch een heel mooi model. Ik zie niet goed voor me hoe dat gaat werken. Iemand bij het Rijk neemt dan de telefoon op, pakt het dossier van die uitgeprocedeerde asielzoeker erbij en ziet hoe de procedure van die vreemdeling is verlopen. Is dat niet gewoon opnieuw de papieren werkelijkheid die er al was?”

Uit uitspraken van rechters blijkt inderdaad dat gemeentes de plicht krijgen om uitgeprocedeerde asielzoekers op te vangen. Hoe verwacht u dat deze kwestie zich ontwikkelt? Wordt Hirsch Ballin achterhaald door het recht?

„De jurisprudentie is zich aan het uitkristalliseren, helemaal sinds de Centrale Raad van Beroep in april een uitspraak heeft gedaan over de noodopvang voor een Algerijnse asielzoeker. De Centrale Raad is de hoogste bestuursrechter op dit terrein en zegt dat internationale rechtsnormen hun uitwerking moeten hebben op de afweging die gemeenten maken als er bij hen wordt aangeklopt. Die jurisprudentie wordt voor gemeentes zo langzamerhand een stok achter de deur. Er zijn nu een paar gemeentes die zeggen dat ze noodopvang willen verlenen aan asielzoekers voor wie zij dat nodig achten. Die gemeentes zeggen dat hardop. Ze zouden natuurlijk ook kunnen besluiten: we maken er helemaal niet zo’n punt van.”

We zeggen het niet?

„Ja. We schuiven af en toe een klein subsidiebedrag toe aan een of andere organisatie die de noodopvang uitvoert.”

Dat gebeurt?

„Dat gebeurt denk ik wel ja. Dat gemeenten daar verder geen ruchtbaarheid aan geven. Wat ze liever hebben, is dat ze eerlijk en hardop tegen Justitie kunnen zeggen dat ze noodopvang bieden, zodat er een soort van afspraak kan komen over de randvoorwaarden van de opvang.”

Anders wordt het een beetje stiekem.

„Precies. En er is eigenlijk helemaal geen reden om hier stiekem over te doen. Ik denk dat dit nu de belangrijkste vraag is: kunnen we dat gesprek over die lastige, humanitaire gevallen niet gewoon open en eerlijk met elkaar voeren?”